Ooievaar
9. Biep biep..zet gauw de wieg klaar...daar is de ooievaar!
Dat de ooievaar kindjes zou brengen, is een oud verhaal. Toch spreekt het tot de verbeelding en zegt het veel over de fascinatie voor deze schitterende steltloper.
Het dierenpark Planckendael is de gedroomde plaats om ooievaars te bestuderen.
Als je de natuur en de dieren zo goed mogelijk wil beschermen, moet je ze eerst zo goed mogelijk leren kennen, zowel binnenin het park, als er buiten. ‘Veldwerk’ noem je dat.
Nu heeft Planckendael iets met ooievaars, meer bepaald met de Europese witte ooievaar. Die witte ooievaar is wereldwijd niet echt een bedreigde soort. Toch was hij in België tot voor kort helemaal verdwenen. Oorzaak was dat zijn leefomgeving er al te zeer op achteruitgegaan was – en niet enkel hier in België, maar ook in de buurlanden Nederland, Duitsland en Frankrijk. Er waren niet genoeg kikkers meer in de sloten, het water was te vuil en noem maar op.
Planckendael heeft dan een splinternieuwe ooievaarskolonie ‘gesticht’. De vrij vliegende vogels zijn intussen zo goed aangepast dat ze tot ver buiten het park rondvliegen. Een aantal jongen zijn zelfs gaan trekken zoals het de echte wilde ooievaar past! Nu willen we natuurlijk weten waarheen deze ooievaars trekken in de winter, wat er ginds met hen gebeurt, en wat ze in de zomer uitspoken.
Een ooievaar volgen is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan…
Loop er maar eens eentje achterna! Zelfs met de fiets of de auto zal het niet meevallen (zeker niet als hij naar Afrika vertrekt!).
Een gemakkelijkere oplossing is dat je vogels gaat ringen. Ze krijgen een lichte aluminium ring om hun poot, waarop een nummer staat (als de nummerplaat van een auto). Als je de vogel later vangt of ergens terugvindt, kan je hem aan zijn nummer herkennen! De vindplaats kan interessante informatie leveren.
Op die manier leerden we dat de witte ooievaars van West-Europa allemaal via Spanje en Gibraltar naar Afrika trekken. Vele sneuvelen op hoogspanningsleidingen, door onsportieve jagers of soms gewoon van uitputting. Het probleem met geringde vogels is dat je ze eerder per toeval terugvindt, en dat je moet gissen naar de doodsoorzaak.
Gelukkig staat de techniek niet stil en zijn er nu nieuwe opsporingstechnieken mogelijk. Zo heeft men ultralichte maar duurzame zendertjes ontwikkeld, die de ooievaars perfect kunnen dragen. Die zendertjes zenden signalen uit, die je kan opvangen met een ontvanger en een antenne. Voor het volgen van de trek naar Spanje en Afrika wordt het signaal zelfs opgevangen door een satelliet ergens in de ruimte, zodat we het dier van uur tot uur kunnen volgen!
Gemakkelijk, niet? De ooievaar zendt, zonder het zelf te beseffen, natuurlijk, een vast signaal uit op een voor hem gereserveerde golflengte. Als we willen weten waar hij is, schakelen we onze ontvanger in, stellen we die in op de corresponderende golflengte en richten we onze antenne.
Geen signaal wil zeggen dat hij te ver weg is, of dat zijn zender stuk is. Hoe sterker het signaal, hoe dichter hij is. De richting van de antenne geeft ook de richting (maar niet de exacte plaats) van onze vogel. Om de juiste plaats te vinden, moeten we ons met onze ontvanger en antenne een eind verplaatsen en opnieuw gaan zoeken. Als we nu opnieuw de richting vinden, dan weten we dat onze ooievaar te vinden is op het snijpunt van onze twee metingen. Biep… biep … zo eenvoudig is dat!


