ARGUSactueel !

Fotowedstrijd

Tentoonstelling lenen

Go4Nature

A   A   A  

Zoek binnen Klimaat en energie

 
 
 
Energietransitie: sneller naar een groener systeem?

Mattias Abrams

Door de toekomstige olieschaarste en de klimaatproblemen is er nood aan een energietransitie waarin het percentage fossiele energie fors wordt teruggedrongen. In het boek ’Energietransitie: sneller naar een groener systeem?’ geeft Johan Albrecht, professor aan de universiteit van Gent en lid van de denktank Itinera, de voorwaarden voor een energietransitie en hoe men dit in de praktijk zou moeten aanpakken. Hoe denken een aantal deskundigen in het Vlaamse energie- en klimaatbeleid over de ideeën in dit boek?

Vandaag wordt nog steeds 99% van onze wereldwijde dorst naar energie gestild met oude energiebronnen (olie, gas, steenkool, waterkracht, kernenergie). Maar de fossiele reserves zijn niet eindeloos. Integendeel, iedereen is het erover eens dat aardolie op korte termijn schaars wordt. Onze aardgas- en steenkoolvoorraden kunnen daarentegen nog wel even mee (ook uranium is er voorlopig nog genoeg), maar het is zeer de vraag of we het ons kunnen blijven veroorloven om op deze enegiebronnen verder te blijven inzetten. De tol in natura die we ervoor betalen is immers hoog: de uitstoot van broeikasgassen, verzurende depositie, vervuiling door fijn stof en roetdeeltjes met alle mogelijke gezondheids- en milieuproblemen van dien,… Reeds in 1912 stelde de Italiaanse scheikundige Giacomo Ciamician dat de wereld moest overschakelen naar zonne-energie om een duurzame energievoorziening te bekomen. Waarom is dat dan nog altijd niet gebeurd? Gewoonweg omdat de voordelen van fossiele brandstoffen al die tijd bleven doorwegen. Of anders gezegd, doordat de ware kostprijs van deze verslaving aan fossiele brandstoffen nooit correct in rekening is gebracht. Hoe dan ook dringt zich nu een globale aanpak op. Een aanpak waarbij, bijvoorbeeld, een correcte prijs voor olie wordt aangerekend.

 

ACT en BLEU

Centraal in ’Energietransitie: sneller naar een groener systeem?’ staat het IEA rapport “Energy Technology Perspectives. Scenarios & Strategies to 2050’.(2008)”. Het internationaal energie agentschap heeft verschillende scenario’s opgesteld voor de periode 2005-2050, opgedeeld in 2 categorieën. ACT scenario’s staan voor een stabilisatie van de CO2 emissie tegen 2050. In dat scenario worden er in 2050 evenveel broeikasgassen uitgestoten als in 2005 (28Gton CO2 per jaar). De BLEU scenario’s gaan verder en stellen tegen 2050 een CO2-emissiereductie voorop van 50%.

De kostprijs in de verschillende scenario’s varieert van 17000 miljard $ (ACT) tot 45 000 miljard $ (BLUE). Om de reductiedoelstellingen in deze scenario’s te realiseren zijn in de eerste plaats meer R&D inspanningen en de invoering van een koolstofheffing vereist, zo betoogt Albrecht. Maar omdat geen enkel individueel land deze heffing zomaar zal invoeren, oppert hij de idee dat de G8 hierin best het voortouw neemt.

De marginale kost van de reductie van 1ton CO2 zal afhankelijk zijn van de beoogde CO2 emissie daling,rekent Albrecht voor, nl. per ton CO2 tussen 50-100$ voor de ACT-scenario’s en tussen 200-500$ voor de BLUE-scenario’s. Overigens stoot de idee van een CO2-taks in de energiesector op minder weerstand dan men zou vermoeden. Zelfs de CEO’s van energiebedrijven zoals Shell en Exxon Mobile ondersteunen momenteel het idee om een prijs te kleven op CO2 om het gedrag te sturen in de richting van een energietransitie.

 

Eerst het laaghangend fruit

Hoe dan ook zullen fossiele brandstoffen ook in 2050 belangrijk blijven. Maar in combinatie met CCS (Carbon Storage and Sequestration), hernieuwbare energie en nucleaire energie is een energietransitie toch mogelijk. Maar, onderstreept Albrecht, we moeten hierin kostenbewust en efficiënt tewerk gaan. Dat betekent dat we ook inzetten in R&D om de efficiëntie te verbeteren van de nu beschikbare (fossiele) energietechnologie. Fossiele installaties gaan immers vaak zeer lang mee (>40jaar). Bovendien zijn deze reducties goedkoper te realiseren.
Energiebesparingen en energie-efficiëntie bieden ook het grootste en goedkoopste CO2-reductiepotentieel. Momenteel gaat er 50% van het energie R&D budget naar kernfusie en kernfissie. Slechts een klein aandeel naar fossiele technologieën. Laat ons dus eerst de vruchten dicht bij de grond plukken vooraleer met een ladder hoog in de boom te kruipen, aldus Albrecht.
 

De juiste prijs

Naast R&D noemt Albrecht het prijsinstrument een grote stimulans voor de energietransitie. De koolstofheffing is daarbij productiever dan subsidies voor dure energievormen. Albrecht is wat dat betreft geen voorstander van de “de overdadige subsidies voor zonnepanelen”. Die moeten afgebouwd worden, vindt hij, want ze schieten hun doel voorbij. Nu komen deze subsidies terecht bij de middenklasse en de hogere inkomens.

De subsidies zorgen er ook voor dat de investeringen niet meer aangemoedigd worden. De PV sector investeert slechts 1% van hun omzet in R&D. Men moet ook afstappen van de zogenaamde cadeau-maatregelen. Dit zijn subsidies voor projecten die zich vanzelf terugbetalen op termijn.

 

Een taak voor de overheid

De overheid kan volgens Albrecht een belangrijke rol spelen. Zij mag niet selectief zijn door bijvoorbeeld bepaalde technologieën af te zweren want dan zijn vergissingen mogelijk. Laat , integendeel, de markt spelen en maak gebruik van LCA (Levenscyclusanalyse) om de impact van technologieën te bepalen. De markt zal ook bepalen dat een land als Spanje eerder in zonne-energie investeert en België in windenergie. Zo bekomt men een hoger rendement en dus een goedkopere energietransitie. Jonge technologieën kan de overheid stimuleren door publieke R&D. Mature toepassingen kunnen door het juiste beleid overgelaten worden aan private investeerders al dan niet met een PPS financiering. Maar den moeten we wel de onvoorspelbaarheid dit debat leren accepteren. De overheid kan die gedeeltelijk wegnemen door de prijzen van fossiele brandstoffen minder volatiel te maken.

Een efficiënte energietransitie vraagt ook nog een hervormde fiscaliteit. Zeker voor een land als België met de hoogte fiscale druk van de wereld, is dit niet evident. De energiefiscaliteit vormt slechts een aandeel van 4% van de totale fiscale ontvangsten. Geen politicus zal het aandurven om dit te verdubbelen en dan nog is het belang slechts 8%.

Bij het bepalen van de meeste efficiënte strategie zullen er ook ethische vragen worden gesteld, waarschuwt Johan Albrecht. De kost van de transitie brengt nu eenmaal hoge opportuniteitskosten met zich mee. Dat zijn bedragen die niet geïnvesteerd kunnen worden in bijvoorbeeld onderwijs of gezondheid.

 

Energieveiligheid

Van energieonzekerheid maakt Johan Albrecht geen punt. OK, we zijn afhankelijk voor gas en olie van landen als Rusland en Saoedi-Arabië. Maar hebben ook deze landen ons niet nodig? Bovendien zijn we al even afhankelijk voor onze computers en geneesmiddelen. Ook die moeten bijna allemaal worden geïmporteerd, maar daar ligt niemand van wakker.

 

Besluit

Om ervan overtuigd te zijn dat de energietransitie geen evidentie zal zijn heeft de lezer ’Energietransitie: sneller naar een groener systeem?’ zeker niet nodig. Albrecht legt echter wel het pad uit waarmee een dergelijk transistie kan worden gerealiseerd. Hij legt daarbij vooral de nadruk op een CO2 heffing, het verhogen van de R&D budgetten en een globale aanpak die gedurende decennia wordt aangehouden. Dit moet resulteren in een duurzamere energiemix en een verbetering voor het milieu waarin fossiele brandstoffen (met de toepassing van CCS) een kleiner aandeel uitmaken en de rest van de energie afkomstig is van nucleaire energie en hernieuwbare energie.

 
Mattias Abrams had naar aanleiding van dit artikel een kort gesprek met Johan Albrecht, auteur van 'Energietransitie: sneller naar een groener systesem?'

Welke rol kan commerciële kernfusie spelen tussen nu en 2050?
Johan Albrecht:
Geen! Niemand verwacht immers dat er vóór 2050 op een rendabele manier energie kan worden opgewekt uit kernfusie.

Zal de G8 een voortrekkersrol in een koolstofheffing kunnen en willen spelen? Acht u het realistisch dat de EU de
CO2-taks opnieuw op tafel legt?
Johan Albrecht:
De G8 kan alleen adviseren dat de landen van de G8 een koolstofheffing invoeren. De kansen op een dergelijk initiatief zijn nu groter dan voor de recessie omdat alle landen hun begrotingstekorten moeten beperken via bijkomende belastingen. In de EU blijft het wachten op nieuwe initiatieven van de Commissie rond energiefiscaliteit ( dit moet aansluiten bij het bestaande systeem van emissiehandel). Die zouden er in de loop van 2010 moeten aankomen.

Wat/wie leveren de triggers om de energietransitie in gang te zetten?
Johan Albrecht: Een eerste rol is weggelegd voor de overheden. Die moeten het kader uitwerken waarbinnen private bedrijven kunnen opereren.

U geeft aan in uw boek aan dat energieonzekerheid niet het grootste probleem zal zijn. Energie exporteurs zijn afhankelijk van hun afnemers en zullen hen dus niet droogleggen. Toch waarschuwen verschillende mensen en organisaties zoals het Clingendael International Energy Programme dat geopolitiek wel zeer belangrijk zal worden in heel de energietransitie. Mogen we er vanuit gaan dat Rusland of het Midden-Oosten China en het Westen gelijk zal behandelen? En/of dat deze landen niet massaal gaan hamsteren voor de eigen markt?
Johan Albrecht:
Alle beschikbare fossiele energie zal hoe dan ook geconsumeerd worden – wie wat zal consumeren zal afhangen van de bereidheid tot betalen. In heel wat olie-exporterende landen is er amper olie beschikbaar voor de lokale markt omdat de overheden liever verkopen aan het rijke Westen. Dit zal altijd wel zo blijven.

Het boek 'Energietransitie: sneller naar een groener systeem?’ is uitgegeven door ASP en kost 25€.
Te bestellen bij de uitgever. 

 
Reactie
Karel Van Acker
Coordinator Leuven Materials Research Centre (Leuven-MRC)
Ik kan me grotendeels vinden in de gedachtengang van dit artikel, zeker wat de inleiding betreft en waar het over groene fiscaliteit gaat. Toch vind ik het eigenaardig dat gepleit wordt voor R&D naar het efficiënter gebruik van fossiele brandstoffen. Immers, (om te remediëren is dat inderdaad nodig, maar daarmee verhelp je niet echt de gevolgen van het gebruik van fossiele brandstoffen) en niet voor meer R&D naar alternatieve energiebronnen, want dit is t.o.v. (overheids) R&D inspanningen ook nog steeds klein vergeleken met bijvoorbeeld nucleaire energie.

Ik ben het niet eens met de analyse in het artikel als zoude we niet te zwaar hoeven te tillen aan onze onze afhankelijkheid van het buitenland. Het is niet omdat weinigen zich bewust zijn van onze afhankelijkheid van het buitenland voor onze grondstoffen, dat er daar geen gevaar in schuilt!

Overigens zijn er een aantal grondstoffen buiten aardolie waar het risico nog groter is: denk maar aan uranium (toch niet zo voorradig als dit artikel laat uitschijnen!) of nog meer aan zeldzame aardmetalen, waarvan de markt totaal door China is gedomineerd. In de VS is dit een serieuze topic, in Europa blijkbaar veel minder...
 
 
Reactie
Sara van Dyck
Beleidsmedewerker Energie en Klimaat bij Bond Beter Leefmilieu

Allereerst zijn we het volmondig eens met de noodzaak van een echte energietransitie. Een energietransitie naar 100% hernieuwbare energie tegen 2050 is mogelijk en noodzakelijk. Om dit te verwezenlijken moet er in de eerste plaats nog veel meer ingezet worden op energiebesparing en energie-efficiëntieverbeteringen. Meer dan de helft van de benodigde CO2-reducties wereldwijd kan gerealiseerd worden door een verbeterde energie-efficiëntie (volgens IAE, World Energy Outlook 2009). Naast energiebesparing en energie-efficiëntieverbeteringen vormt de verdere ontwikkeling van hernieuwbare energie een essentiële schakel in de strijd tegen de klimaatverandering.

Professor Albrecht pleit zeer terecht voor een doorgedreven inzet op onderzoek en ontwikkeling enerzijds en een concrete prijszetting van fossiele brandstoffen anderzijds. Om de externe kosten van fossiele brandstoffen in rekening te brengen, pleit professor Albrecht voor de invoering van een wereldwijde koolstoftaks. We onderschrijven deze vraag maar pleiten hierbij echter voor een taks waarbij niet enkel de CO2-uitstoot maar ook het energieverbruik in rekening wordt gebracht, aangezien minder energieverbruik het beste instrument is in de strijd tegen de klimaatverandering.

In tegenstelling tot wat in het boek vooropgesteld wordt, heeft kernenergie geen plaats in een duurzame energietransitie en biedt deze technologie geen afdoend antwoord op de uitdagingen waar we voor staan. In de eerste plaats blijven de gekende problemen inzake nucleair afval, de proliferatierisico’s en de veiligheid van de kerncentrales een torenhoog probleem. Maar daarnaast is kernenergie ook niet compatibel met hernieuwbare energie op grote schaal. Willen we hernieuwbare energie verder laten groeien, dan staat kernenergie in de weg. Kerncentrales zijn zeer onflexibel en krijgen daardoor voorrang op andere energiebronnen om de constante vraag naar elektriciteit te dekken. Ze bezetten met andere woorden constant een deel van het net. Eens hernieuwbare energie op kruissnelheid komt - denk bijvoorbeeld maar aan de offshore windenergie - dreigt men deze energie niet kwijt te geraken aan het net omdat dit “bezet” wordt door kernenergie. Voor de verdere uitbouw van hernieuwbare energie moet bovendien het elektriciteitsnet aangepast worden van een centraal net dat stroom van enkele grote (kern)centrales over grote afstanden naar duizenden afnemers transporteert, naar een decentraal en flexibel netwerk dat de verschillende – variabele en flexibele - hernieuwbare energiebronnen integreert. Ook dit is niet compatibel met kernenergie.

Ook steenkoolcentrales passen niet in een propere en koolstofarme economie. In de voorgestelde scenario’s gaat men uit van steenkoolcentrales die CCS (carbon capture and storage) kunnen toepassen. CCS zou volgens de meest optimistische schattingen echter ten vroegste vanaf 2020 commercieel beschikbaar zijn. Ondertussen worden – onder het mom van een latere inzet van CCS – nieuwe, zeer vervuilende steenkoolcentrales gebouwd die jaarlijks miljoenen tonnen
CO2 de lucht in jagen. Aangezien de wereldwijde CO2-uitstoot reeds vanaf 2015 moet beginnen dalen, zal CCS veel te laat beschikbaar zijn om een bijdrage te leveren aan de noodzakelijke reducties op korte termijn. Bovendien is steenkool een zeer vervuilende vorm van energieopwekking waarbij naast CO2 ook aanzienlijke hoeveelheden fijn stof en verzurende stoffen de lucht worden ingeblazen.

Ook
bij de kritiek van professor Albrecht op de ondersteuning van zonnepanelen wensen we een aantal kanttekeningen te plaatsen. We zijn het ermee eens dat technologieën niet overgesubsidieerd mogen worden. Subsidies moeten afgestemd worden op wat doorbraak technologieën effectief nodig hebben om rendabel te zijn (de zogenaamde “onrendabele top”). De steun voor hernieuwbare energietechnologieën zal de komende jaren dan ook stelselmatig kunnen afgebouwd worden naarmate deze technologieën meer rendabel worden. Dit is overigens al het geval bij de ondersteuning van zonne-energie, waarvan de subsidies tot 2020 jaarlijks afgebouwd worden. De ondersteuning van technologieën zoals zonne-energie is momenteel echter nog noodzakelijk om deze technologieën hun plaats te laten verwerven op de markt en vermijdt dat we later met een veel hogere milieu- en energiefactuur worden opgezadeld.

Tot slot willen we erop wijzen dat het belangrijk is om het aanpakken van de klimaatverandering in een breder plaatje te bekijken. Niet enkel de economische kost voor de reductie van
CO2 is hierbij van belang, maar ook de baten van een verminderde inzet van fossiele brandstoffen en kernenergie. Het gaat, zoals gesteld in het boek, bijvoorbeeld niet om een keuze tussen de inzet op een energietransitie of investeren in gezondheid. Door te investeren in een energietransitie kunnen we verschillende vliegen in één klap slaan. Door in te zetten op een maximale energiebesparing en propere energie-opwekking, verlaagt onze CO2 uitstoot, verbetert de luchtkwaliteit en verlagen de gezondheidskosten, creëren we bijkomende jobs in toekomstgerichte sectoren en worden we minder afhankelijk van de - stijgende - fossiele brandstofprijzen.
 
 
Reactie
Bart Martens
Vlaams parlementslid voor sp.a, gemeenschapssenator en lid van de gemeenteraad in Antwerpen

Er is inderdaad nood aan een energietransitie waarin het percentage fossiele energie fors wordt teruggedrongen. Niet alleen omwille van de klimaatproblematiek die een verminderde uitstoot van broeikasgassen noodzakelijk maakt. Maar ook wegens de schaarste aan fossiele brandstoffen. Een (wereld)economie die te sterk stoelt op dergelijke eindige, slinkende voorraden kan zich niet uitbreiden of reproduceren.

Pr
ijsmaatregelen en onderzoek en ontwikkeling zijn nodig om die transitie aan te drijven, maar het zou verkeerd zijn al te eenzijdig te focussen op het instrument van de koolstofheffing. Met een koolstoftaks alleen komen we er zeker niet.

De EU (en ook landen buiten de EU) werkt voor de sterk energie-intensieve industrie met een cap-and-trade emissiehandelssysteem. Ook in dit systeem krijgt
CO2 zijn prijs. Bovendien heeft dit systeem het voordeel dat men het milieuresultaat (via het vast te leggen “plafond”) op voorhand kan vastleggen. Binnen de context van de internationale klimaatonderhandelingen lijkt het meer haalbaar om een dergelijk emissiehandelssysteem uit te breiden naar de verschillende binnen de wereldeconomie opererende energie-intensieve industrieën in de verschillende landen, eerder dan de invoering van een algemene koolstofheffing. 

Voor de noodzakelijke emissiereducties binnen sectoren zoals transport, gebouwen, landbouw,… kan een koolstofheffing wel in het plaatje passen, op voorwaarde dat ze wordt ingebed in een bredere instrumentenmix. In samenlevingen met een grote inkomensongelijkheid schiet het beginsel “de vervuiler betaalt” vaak zijn doel voorbij. Voor vermogende klassen geldt dan eerder het omgekeerd principe van “wie betaalt mag vervuilen/verspillen” zonder dat zij hun bijdrage leveren in het rationeel omspringen met schaarste (zoals natuurlijk rijkdommen, beperkte milieugebruiksruimte of beperkte infrastructurele capaciteit).

Om economische instrumenten ook voor deze klassen gedragsturend te maken zou het prijsbeleid een dergelijke omvang moeten aannemen dat ze de lagere inkomenscategorieën de toegang tot energie of vervoersinfrastructuur de facto ontzegt (energie- en vervoersarmoede). Vandaar dat zeker in ongelijke samenlevingen economische/prijs-instrumenten moeten ingebed worden in een instrumentenmix waarin verspilling ook met normering te lijf wordt gegaan (verbod op “energievreters”, strenge uitstoot- en verbruiksnormen voor wagens, strenge energieprestatienormen voor gebouwen…). Dergelijke reglementering ondervangt ook de marktimperfecties die het succes van economische instrumenten enigszins ondergraven (gebrek aan kennis, investeringsmiddelen, zeggenschap (in geval van huurder/verhuurder)…).


Albrecht vindt een koolstofheffing veel productiever dan “de overdadige subsidies voor zonnepanelen”. Die subsidies zouden de investeerders alleen maar lui maken door hen een gegarandeerde opbrengst voor te spiegelen. Dit moet sterk genuanceerd worden. Ten eerste wordt de kostprijs van deze “subsidies” doorgerekend in de distributienettarieven. Met andere woorden, het is een indirecte vorm van “koolstofheffing” die de subsidies financiert. Het is dus niet of subsidies of heffing, maar en/en. Ten tweede werd door de Vlaamse decreetgever voorzien in een degressief pad, waarbij de steun aan zonnepanelen gradueel wordt afgebouwd. Dat degressief pad spoort samen met de zogenaamde “leercurve” die laat zien dat bij elke verdubbeling van het geïnstalleerd vermogen aan panelen, de kostprijs ervan met pakweg 20% daalt. Producenten worden daardoor wel degelijk aangezet om steeds efficiëntere panelen en betere technieken op de markt te brengen. Als we op deze weg doorgaan kan groene stroom binnen pakweg 10 tot 15 jaar ook zonder subsidies op eigen benen staan en hebben we in deze markt eigen bedrijven op de kaart gezet die een gigantische exportmarkt zien opengaan. Op dat moment kan iedereen genieten van betaalbare hernieuwbare energie.

Bovendien zijn niet zozeer de “overdadige subsidies” voor de zonnepanelen van de buurman het grote probleem voor de eindfactuur, wel de dominantie op onze energiemarkt door het buurland. De zonnepanelen kosten de Vlaamse consument in 2010 zo’n 100 miljoen €, maar dat is minder dan 10% van de marktverstorende windfallprofits die monopolist Electrabel op onze markt realiseert met de melkkoeien van de afgeschreven centrales.

Ten slotte denk ik ook dat het belang van slimme energienetten in de geschetste energietransitie niet mag worden onderschat. Zowel voor de inschakeling van grootschalige windmolens op zee en getijdencentrales als voor het inpluggen van decentrale productie (onder de vorm van zonnepanelen en warmtekrachtkoppeling) zijn gigantische investeringen in de netten noodzakelijk. Op zee hebben we nood aan een Noordzeering, op land aan slimme distributienetten die stroom van en naar prosumenten (consumenten die met zonnecellen of warmtekrachtinstallaties ook zelf stroom produceren en hun overschotten op het net zetten of tekorten ervan afhalen) in twee richtingen kunnen sturen. 
 
 
Annemie Bollen
Attaché bij de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen


Johan Albrecht benadrukt in zijn boek de nood aan een fundamentele energietransitie met substantieel meer hernieuwbare energie. Tegelijkertijd – en volledig terecht - geeft hij ook een gezonde dosis realisme mee. Zo moeten we beseffen dat hernieuwbare energie op korte termijn niet de meest kostenefficiënte klimaatmaatregel is: door energie te besparen en de fossiele energieopwekking te verbeteren, kunnen we veel meer en goedkoper
CO2-emissies vermijden. Ook zal meer hernieuwbare energie onze energiebevoorradingszekerheid op korte termijn niet substantieel versterken. We zullen nog een hele tijd van - liefst propere - fossiele energiebronnen afhankelijk blijven. Qua sociaal-economische baten in de hernieuwbare energietechnologiesector beloven we best geen luchtkastelen en moeten we vergelijken met wat investeringen in andere domeinen en sectoren opbrengen. Daarmee is niet gezegd dat we niet op hernieuwbare energie moeten inzetten. Maar dat moet wel vanuit een ander, breder perspectief gebeuren. Centraal in het pad dat Albrecht uittekent in de transitie naar een groener energiesysteem staan R&D, een systeemaanpak en een koolstofheffing.

R&D, zowel voor hernieuwbare energie, als voor fossiele energie en energie-efficiëntie, verdient inderdaad veel meer aandacht. Vlaanderen gaf in 2009 helemaal geen R&D-ondersteuning voor fossiele energie, 5 miljoen euro voor energie-efficiëntie, 9 miljoen voor netten, opslag, brandstofcellen en waterstof en ruim 15 miljoen voor hernieuwbare energie. Maar dat blijven peanuts, zeker in vergelijking met de honderden miljoenen euro die jaarlijks gaan naar vraagondersteuning (groene stroomcertificaten, premies, fiscale aftrek…).

Ook een systeemaanpak is nodig. Twee intrinsieke kenmerken van hernieuwbare energie - hun lage energiedichtheid en hun intermittent karakter - zorgen ervoor dat groene energie niet zo gemakkelijk in te passen is in ons energiesysteem, ruimtelijk systeem, of productie- en consumptiesysteem als we misschien denken of zouden willen. Er zijn systeemaanpassingen nodig en die komen er niet vanzelf. De inpassing in het energiesysteem vergt bijvoorbeeld stimulansen voor de netwerkaanpassingen, zoals de ombouw tot slimme netten en de versterking van interconnectie-, opslag- en backupcapaciteit.


Albrecht betuigt verder zijn ‘geloof’ in de onzichtbare en onfeilbare hand van een internationale koolstofheffing. Hoewel het instrument theoretisch veruit het beste scoort, zijn de praktische mogelijkheden ervan te nuanceren. Een ongelukkig geconcipieerde heffing kan namelijk slechter zijn dan een goed ontworpen ondersteuningssysteem. Ook is het niet eenvoudig om Albrechts optimisme te delen dat zo’n heffing effectief haalbaar is. Jarenlang werd er op dat vlak nauwelijks of geen vooruitgang geboekt. Zelfs over de ondersteuningsmanieren van hernieuwbare energie blijkt op Europees - en zelfs op Belgisch - niveau geen overeenstemming mogelijk. De vraag is dan ook veeleer wat men als ‘second best’ verkiest zolang de ‘god’ niet verschijnt.

Maar over wat Vlaanderen als second best heeft gekozen, het Vlaamse groenestroomcertificatensysteem, is Albrecht eerder zwijgzaam. Hij bekritiseert wel de ondersteuning die het systeem voorziet voor zonnepanelen. Zo wijst hij erop dat zonnepanelen een zeer dure manier zijn om CO2 te besparen. En dat de ondersteuningsregeling niet leidt tot meer R&D, maar wel tot cadeau-effecten voor hogere inkomensgroepen en tot import van zonnepanelen. En dan heeft hij het nog niet over de gevolgen van die massale import voor de handelsbalans. Of over het tijdelijk karakter van de werkgelegenheidseffecten: zonnejobs zijn vooral installatiejobs (meestal in knelpuntberoepen, waardoor die knelpunten toenemen) die dreigen te verdwijnen als de ondersteuning stopt.

Over het Vlaamse groenestroomcertificatensysteem als zodanig spreekt Albrecht zich dus niet echt uit, al stapelen de kritieken zich op, recent nog naar aanleiding van persmededelingen door Eandis en de CREG. De SERV werkt momenteel aan een grondige evaluatie van het Vlaamse groenestroomcertificatensyteem en hernieuwbare energiebeleid en zal de conclusies daarvan in het najaar presenteren.

 

Dit artikel kwam tot stand als opdracht voor het vak Milieucoordinatie in de Master na Master in de Milieusanering en het Milieubeheer aan het Centrum voor Milieusanering van de Universiteit Gent.

 

Mattias Abrams
Tekst gepubliceerd op 12 juli 2010

 
Onze nieuwsbrieven
Wordt fan van ARGUS op Facebook