Zoek binnen Beleid en Wetgeving

 
Rethinking Laocoön - Over klimaat en controverse

Pieter Leroy

Ter inleiding
Er is de voorbije weken veel gedoe over klimaatonderzoek. Het begon met het bericht over het ‘hacken’ van mails verstuurd vanuit de Climate Research Unit van de University of East Anglia - niet toevallig vlak voor de top in Kopenhagen. Het vond zijn voorlopig hoogtepunt met de bekendmaking van enkele evidente missers in het IPCC rapport, deel 2, van 2007. In dat deel - een telefoonboek dik - zijn met betrekking tot de gletsjers van de Himalaya en, dichter bij huis, met betrekking tot het percentage Nederland dat onder de zeespiegel ligt, opvallende en, laten we helder zijn, eenvoudig vermijdbare fouten aangetroffen.
De Telegraaf en Elsevier, hun reputatie getrouw, zaten er meteen bovenop om ‘schande!’ en ‘zie je wel!?’ te roepen. Van hun kant namen PvdA klimaatcoryfee Samsom en PvdA minister voor Milieu Cramer duidelijk - en terecht - afstand van die fouten, maar zij schoten wat door in hun ijver door voortaan een ‘foutloos’ IPCC rapport te eisen…

Wat is hier nu eigenlijk gaande? Eerst even iets over het klimaatvraagstuk en wat we daarover wetenschappelijk zeker en bijna zeker weten. Ten tweede een positionering van dit ‘gedoe’, tegen de achtergrond van ontwikkelingen in wetenschap, politiek en samenleving, mede aan de hand van vergelijkbare controverses. Ten derde een pleidooi voor een andere kwaliteitsborging van wetenschap. Ik beoog daarmee uitdrukkelijk de discussie te verleggen van de bijzaken (het gedoe) naar de hoofdzaak: de legitimiteit van (wetenschappelijke) kennis.

 

Wat weten we (bijna) zeker
Terwijl het een beetje modieus is allerlei hedendaagse maatschappelijke vraagstukken ‘messy’, ‘ill structured’ en complex te noemen, is het klimaatvraagstuk inderdaad een complex probleem. Het is dat in de eerste plaats aan de oorzakenkant: het gaat om een veelheid van variabelen, waarvan we de onderlinge wisselwerking nog niet altijd goed begrijpen, doordat veel van die interacties niet-lineair zijn en doordat ze betrekking hebben op zeer uiteenlopende ruimte- en tijdsschalen. Dat levert veel ‘onzekerheid’ op, niet alleen van een voorlopig, met meer onderzoek op te lossen type, maar van een lastiger type: intrinsieke onzekerheid. Wie bekend is met de problematiek van kankerinductie in relatie tot milieuverontreiniging, voedselkwaliteit en andere, herkent het probleem: lange oorzaakgevolgketens, teveel ruisvariabelen en vaak te weinig data voor statistische analyses, onzekerheid over lage dosissen, over onomkeerbare drempels en feedback loops enz.

Het klimaatvraagstuk is ten tweede complex aan de gevolgenkant: we krijgen geleidelijk beter zicht op de grote variatie aan mogelijke effecten ervan. Die effecten omvatten veel terreinen, van landbouw tot gezondheid, van migratie tot verschuiving van economische polen, en die effecten zijn zeer verschillend naar gelang het schaalniveau. Die complexiteit is zodanig dat het meest belachelijke argument van de non-believers is te verwijzen naar de strenge winter die we nu in Noord-West-Europa meemaken.

Publiek in debat over de klimaatconferentie van KopenhagenHet klimaatvraagstuk is, ten derde, ook maatschappelijk en politiek complex: de meest getroffenen hebben vaak het minste aandeel gehad - het ‘environmental justice’ aspect’ -, op zoek naar een zinvolle aanpak laveren politici tussen wat natuurwetenschappers – in onzekerheid - noodzakelijk achten en wat de samenleving haalbaar acht. Bovendien: welke aanpak ook vergt een maatschappelijke omschakeling waarvan we geen voorgaande kennen.
Tegen die achtergrond is het geen wonder dat Kopenhangen slechts heeft opgeleverd wat het heeft opgeleverd. Ik vind die top, zoals ik elders uitvoeriger heb betoogd, dan ook geen flop, maar een (onvermijdelijke) tussenstop.

Ten vierde, maar daar gaat mijn volgende punt over: het klimaatvraagstuk wordt extra gecompliceerd doordat het zich voordoet in een tijdsgewricht waarin de wetenschap én de politiek lijden onder een gebrek aan legitimiteit. Deze complicerende factor is trouwens minder specifiek en uitzonderlijk dan ook klimaatwetenschappers lijken te geloven.

Desondanks weten we enkele dingen over het klimaatvraagstuk absoluut zeker, en enkele andere vrijwel zeker.

  1. we weten zeker dat de hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer van de aarde sterk is toegenomen sinds de industriële revolutie; lees dus: door menselijk toedoen;
  2. we weten zeker dat broeikasgassen een cruciale rol spelen bij de temperatuur aan het oppervlak van de aarde;
  3. we weten zeker dat de gemiddelde temperatuur op aarde de afgelopen eeuw, vooral halve eeuw, duidelijk is toegenomen (de fameuze hockey stick), met ongeveer een halve graad Celsius;
  4. we weten vrijwel zeker (‘met grote waarschijnlijkheid’) dat de toegenomen broeikasgassen, dus het menselijke toedoen, daarvoor verantwoordelijk zijn; alternatieve verklaringen bieden geen houvast;
  5. we schatten in dat, alleen door een naijleffect van nu al uitgestoten broeikasgassen, de wereldgemiddelde temperatuur met nog eens 1 graad (tot omstreeks 2030) of zelfs met 3 tot 4 graden (2100 and beyond) zou kunnen stijgen;
  6. we hebben een redelijke, zij het per tijd en plaats en schaal uiteenlopende inschatting van de gevolgen van deze opwarming; primaire gevolgen betreffen zeespiegelstijging, grotere neerslag op de ene en grotere droogte op de andere plek enz.; secundaire gevolgen betreffen migratie, vegetatie, landbouw, economie, gezondheid enz.
  7. voor de politiek gevoeligen onder ons: we schatten in dat een wereldgemiddelde temperatuurstijging van 2 graden Celsius wellicht nog overzienbare gevolgen heeft. Voorbij dat punt wordt de betrouwbaarheid van de modellen steeds kleiner, de vrees voor onverwachte niet-lineaire effecten steeds groter. Vandaar die ‘two degrees’ als doelstelling in het Kopenhagen akkoord.

 

In termen van de ordening van het werk van het IPCC: er is nauwelijks onzekerheid meer over de basismechanismen van klimaatverandering (deel 1). Er is wél onzekerheid over de gevolgen daarvan (deel 2), juist ook omdat die naar tijd en plaats zo verschillend kunnen zijn, omdat we weinig weten van drempels en niet-lineaire effecten. Bovendien ontbreekt voor veel plaatsen longitudinale monitoring: we hebben die wél over de sneeuwlaag op de Kilimanjaro, we hebben die niet of nauwelijks over de gletsjers van de Himalaya… En nog iets meer onzekerheid is er over de strategieën en plannen om klimaatverandering aan te pakken of er ons tot op zekere hoogte aan aan te passen, over de financiering, de kosteneffectiviteit, de timing etc., daarvan (deel 3).
Natuurlijk liggen allerlei partijen voortdurend op de loer om die onzekerheid uit te buiten, in de een of de andere richting. Niet alleen zogeheten sceptici, trouwens. Ik heb zelf nog steeds grote vraagtekens bij waarom de commissie Veerman, bij haar plannen voor de Nederlandse waterstaat in de 21ste eeuw, voor het meest radicale scenario van zeespiegelstijging heeft gekozen. Ik acht dat, zoals elders uiteengezet, goed voor de dramatiek, maar niet voor de legitimiteit.

 

Deze controverse gaat over veel meer dan klimaat
Sinds het klimaatvraagstuk, vooral in de jaren 90, op de agenda is geplaatst, is er sprake van klimaatsceptici. Als ze sceptisch zouden zijn, zou dat prima zijn: dat is een voor wetenschappers verstandige attitude. In feite zijn het echter non-believers, die elk en ieder argument van het IPCC als geheel en van afzonderlijke klimaatwetenschappers bestrijden omdat het onjuist of met teveel onzekerheid omgeven zou zijn. Let wel: er is sprake van onzekerheid. Maar de zogenaamde sceptici bestrijden ook dingen waarover eigenlijk behoorlijke zekerheid bestaat: de opwarming zelf, oftewel de hockeystick, de oorzaak van de broeikasgassen, de menselijke toedracht, enzovoort.

Het verloop van déze controverse doet onwillekeurig denken aan vergelijkbare controverses: over roken en longkanker, over kernenergie, om er maar twee te noemen uit een hele reeks. Die debatten zijn op twee punten vergelijkbaar:

  1. behalve over de zaak zelve, de risico’s van roken of van kernenergie, gaat het ook om iets heel anders: in feite is het (a) een epistemologisch debat over de vraag hoe wij de werkelijkheid kennen, wat we ervan kunnen kennen, en hoe zeker die kennis is; en het is tegelijk (b) een politiek-ethisch debat over de vraag hoe zeker die kennis moet zijn om te kunnen handelen, lees om mensen van het roken af te houden of om tegen kernenergie te zijn.
    Schematisch neergezet is hier een debat tussen klassiek-positivisten en post-positivisten aan de orde. De eersten menen dat we de werkelijkheid kunnen kennen en, mits voldoende onderzoek, ook geheel kunnen doorgronden. Onzekerheid is dus een voorlopige categorie, nader onderzoek brengt de oplossing. Handelen zonder voldoende zekerheid is voortijdig, misschien zelfs weggegooid geld. Post-positivisten (van verschillende pluimage overigens) zien principiële grenzen aan het weten, en dus aan de kenbaarheid van de werkelijkheid. Onzekerheid is voor hen niet voorlopig, maar intrinsiek (Ik bevond me in hun kamp toen ik B&W van Nijmegen adviseerde nu eens even te stoppen met nieuw onderzoek naar het verband tussen luchtverontreiniging en kankerinductie in Weurt en Nijmegen-West, omdat geen enkel onderzoek ‘het’ verband zou kunnen aantonen, en die uitkomst de publieke onrust alleen maar vergrootte). In plaats van ‘zekerheid’ is ‘voorzorg’ hier het uitgangspunt: als er een vermoeden is, is er aanleiding niet alleen de zaak nader te onderzoeken, maar alvast ‘no regret’ maatregelen te nemen. Zelfs als we nog niet zeker weten dat teveel niet-ioniserende straling voor hersenschade zorgt, is er aanleiding het bellen met GSMs van kinderen en jongeren enigszins aan banden te leggen. Toen Laocoon waarschuwde tegen het paard van Troje wist hij het ook niet zeker: in feite bepleitte hij niets anders dan voorzorg. Exact dezelfde voorzorg speelt bij ‘klimaat’, en daarvan weten we een heleboel al wel met zekerheid.
     
  2. met die andere controverses heeft de controverse rondom klimaat, ten tweede, gemeen dat ook déze zich niet afspeelt bínnen de wetenschap, in nauwelijks door een buitenstaander gelezen vaktijdschriften. In tegendeel: de controverse is publiek, wordt in de kranten, op radio en TV, en vooral ook via Internet gevoerd. Dat heeft zeker voordelen van openheid en transparantie, maar het draagt ook de risico’s van vervuiling door populisme en lobbying in zich. We weten hoe zowel het debat over roken als dat over kernenergie systematisch en doelbewust zijn vervuild door behartigers van bepaalde belangen. We weten dat de olie- en kolenindustrie er mee heeft toe bijgedragen dat de vorige Amerikaanse regering het klimaatvraagstuk ontkende, c.q. wachtte op overtuigend bewijs en zekerheid. Een (op zich zelf te waarderen!) positivistische epistemologie wordt hier als dekmantel gebruikt voor politieke lobbying. De zogeheten ‘Data quality act’ heeft een en ander in de US zelfs geformaliseerd. De tegenstrijdigheid tussen positivisme en post-positivisme is daarmee niet alleen een epistemologisch dispuut, maar een maatschappelijke en een politieke strijd.

 

Maar deze gelijkenissen zijn niet toevallig. Immers, noch het ene: het opduiken van een post-positivistische epistemologie, noch het andere: het publieke en politieke karakter van wetenschappelijke debatten, staat op zich zelf. Beide maken deel uit van een veel bredere ontwikkeling waarbij de (deels denkbeeldige, maar daarom niet minder constitutieve) grenzen tussen wetenschap, samenleving en politiek worden doorbroken. Dat heeft goede kanten: de emancipatie van de burger leidt ertoe dat artsen door hun patiënten worden tegengesproken, en dat ze - in gezamenlijke onzekerheid - samen op zoek gaan naar de beste therapie. Het leidt ertoe dat ingenieurs tegenspraak krijgen over hun risicoanalyses, desnoods tot aan de Raad van State toe. Deze ‘citizen science’ is voor de betrokken academische professionals vaak ongemakkelijk, maar zij draagt bij tot de demonopolisering van de academie, en tot de democratisering van het weten.

De keerzijde van deze citizen science en van de open beschikbaarheid van bronnen en distributiekanalen is het risico van populisme, van charlatanisme van allerlei soorten. We hebben het rondom Sylvia Millecam gezien (Nederlandse comédienne, actrice, zangeres en presentatrice die na een diagnose van kanker heil zocht in alternatieve geneeswijzen, maar enkele jaren later toch overleed, n.v.d.r.). We hebben het, veel recenter, gezien rondom de campagne voor vaccinatie tegen baarmoederhalskanker bij jonge meisjes, en nog recenter bij wat je politiek correct niet Mexicaanse griep maar flu H1N1 moet noemen.

 

  Een verpleegster van het Swine flu Vaccination Alpha Team (SVAT) dient in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen een patiënt een testvaccin toe tegen de H1N1-griepvariant.

 

We hebben gezien hoe volstrekt tegen-feitelijke informatie kan worden verspreid, tot onmacht en wanhoop van de Roel Coutinho’s van deze wereld, die hun campagnes zien verzanden. Gelukkig heeft nu ook het RIVM ingezien dat de legitimiteit van de wetenschap niet (meer) zodanig is dat alleen een TV-optreden en een paar spotjes volstaan, bijna in tegendeel.

Ongelukkigerwijze is de huidige generatie politici, zoals hun kiezers, zelf ook uiterst volatiel in haar standpunten en extreem gevoelig voor onrust in de samenleving. Het debat overschrijdt daarmee niet allen de grenzen tussen wetenschap en samenleving, maar ook die tussen wetenschap, samenleving en politiek. Ook dat kennen we van kernenergie, van roken en van vele andere vergelijkbare controverses. Ik heb er op zich zelf niets op tegen. Vanuit een bepaald perspectief zou je zelfs wensen dat de politiek eens wat vaker mee stuurde in wetenschappelijk-technologische ontwikkelingen. Maar ook hier is het risico groot dat emotelevisie van het type ‘boer zoekt vrouw’ verwordt tot emo-politiek van het type ‘geit zoekt parlementariër’…

 

Hoe verder? Naar een verscherpte kwaliteitsborging
Laat ik één weg voor de toekomst meteen maar afsluiten: het lijkt me onverstandig - en bovendien ondoenlijk - te proberen de opengebroken grenzen tussen wetenschap, samenleving en politiek weer te sluiten. Volkomen terecht vragen Samsom en Cramer dat de wetenschap correct werk aflevert. Maar hun verzuchting dat de politiek voortaan graag weer eenduidigheid en zekerheid wil, is een retour à l’arrière: terug naar de idee dat ‘science speaks truth to power’, gebaseerd op een positivistische epistemologie en een modernistische taakverdeling tussen wetenschap en politiek. Dat is, met veel meer vraagstukken dan met klimaat alleen, niet meer mogelijk: op terreinen van onderzoek als stamcellen, nanotechnologie, kanker en andere, spelen exact dezelfde vraagstukken - zelfs al lijken die voorlopig nog iets minder voorwerp van ‘publiek debat’. Laten we onszelf bovendien niets wijsmaken: het besluit om voor kernenergie te kiezen is ook niet volgens de spelregels van dit geïdealiseerde positivistisch-modernistische arrangement tussen wetenschap en politiek genomen.

Mijns inziens zitten we rondom deze en andere kennis- en technologie-intensieve thema’s inderdaad op de overgangslijnen van een klassiek wetenschap-en-politiek arrangement naar een ander, post-modernistisch of post-positivistisch arrangement. Dit laatste betekent allerminst een vrijgeleide, zeker geen ‘anything goes’. Het is wat mij betreft integendeel een pleidooi voor een betere, anders georganiseerde kwaliteitsborging van wetenschap, en voor een andere bedrading van haar interactie met de politiek. Ik heb niet alle antwoorden op vragen over het wat en hoe daarvan, maar wel enkele richtingen:

  1. we kunnen in dit soort dossiers niet (meer) volstaan met een louter intern-wetenschappelijke kwaliteitsborging van het type peer review. Zelfs al lijken, ondanks de nu aan het licht gekomen fouten, de processen binnen het IPCC over het algemeen redelijk te werken, zij bieden onvoldoende garantie voor (a) een stevige wetenschappelijke borging en (b) een voldoende maatschappelijke legitimiteit. Met vele collega’s (van Funtowicz en Ravetz via Gibbons en Nowotny, via Callon tot Pellizoni, Wynne en anderen) bepleit ik het openbreken van deze reviews, het transparanter maken van de wetenschappelijke processen, het aanvullen van de reviews met beoordelingen door betrokkenen, enz. Dit zal voor wetenschappers onwennig en ongemakkelijk zijn - het zal hetzelfde verzet oproepen als dat van de kerk tegen het lezen van de bijbel door gewone mensen -, maar het lijkt me onvermijdelijk en noodzakelijk. Het is een kwestie van kwaliteit.
     
  2. We moeten betere mechanismen voor afweging en procedures voor besluitvorming vinden voor situaties van onzekerheid. Sinds Laocoön - die door twee door de goden gestuurde slangen werd vermoord -, zijn we er nog niet zoveel op vooruit gegaan, als je de stukken in Elsevier en andere spreekbuizen van de scepsis leest. Het voorzorgsprincipe blijft lastig te operationaliseren, maar we zullen wel moeten. We moeten (beter) leren omgaan met onzekerheid.
     
  3. Bovenop how to deal with quality (punt 1), en how to deal with uncertainty (2), is er ook een how to deal with politics (in dit soort kennisintensieve dossiers). Noch een louter technocratisch model waarbij de experts beslissen, noch een decisionistisch model waarbij het primaat van de politiek voluit speelt, bieden een veilige route. Je kunt - terecht - kritiek hebben op het IPCC. Realiseer je daarbij dat het IPCC opereert in een politiek-institutioneel redelijk lege ruimte, omdat er niet zoiets als een wereldregering is. Veel beter dan de manier waarop de IPCC-rapporten via executive summaries worden omgezet in beleidsaanbevelingen hebben we nog niet verzonnen. Er is werk aan de winkel.

 

We need to rethink Laocoön!

 

Prof. Dr. Pieter Leroy is hoogleraar Milieu en Beleid bij de Radboud Universiteit Nijmegen.

Tekst: Februari 2010

 
RECENTE ARTIKELS
Artikel Rethinking Laocoön - Over klimaat en controverse
Pieter Leroy Toen Laocoön tijdens het beleg van Troje waarschuwde voor het houten paard van de Grieken, stootte hij...

Klimaat en energie Klimaat en energie

Beleid en Wetgeving Beleid en Wetgeving