ARGUS milieu
ARGUS informeert en inspireert voor een duurzame, milieuvriendelijke samenleving 
  • A   A   A  
  •  
  • Over ARGUS
  • ARGUSactueel
  • ARGUSkenniscentrum
  • Contact
  •  
 
Login of registreer
 
  • Home
  • Kennis & Info
  • ARGUSprojecten
  • ARGUS steunt
  • ARGUSwinkel
  • Over ARGUS
  • Mijn ARGUS
  •  
  • ARGUSkenniscentrum
  • Debatten & seminaries
  • E-Nieuwsbrieven
  • Milieutips
  • ARGUSfilmforum
  • Archief
  •  
Home > Kennis & Info > Debatten & seminaries > Archief

RSS Archief

1 februari 2005 - ARGUSdebat: 'Milieu: een ziekmaker?'

Zie ook: Portable Document Format (PDF) Dossier Milieu en gezondheid in ARGUSmilieumagazine (pdf, 1009 KB)

Op 1 februari 2005 werd in het Herman Teirlinck Auditorium, KBC Havenlaan te Brussel de cyclus van ARGUSdebatten afgesloten met ‘Milieu: een ziekmaker?’. Tijdens dit laatste ARGUSdebat werd de relatie tussen milieu en gezondheid op de korrel genomen.

Na een welkomstwoord door Leo Dooms, beheerder van ARGUS vzw volgde een paneldebat gemodereerd door Ben Vanheukelom, (VRT Radio). Vanheukelom wees erop dat dankzij de wetenschap steeds meer milieuproblemen in kaart worden gebracht, maar tegelijk roept ieder antwoord weer nieuwe vragen en onzekerheden op. Het is de uitdaging dit enorme aanbod aan informatie niet tot een overaanbod te laten uitgroeien.

Volgens Nic Van Larebeke, professor aan de Universiteit Gent en woordvoerder van het Steunpunt Milieu en Gezondheid, is er inderdaad veel kennis over de relatie tussen het milieu en de gezondheid, maar zijn er nog enorme leemten. Hij beschouwt de nieuwe Europese regelgeving REACH, die de bedrijven aanzet om van stoffen meer toxicologische gegevens bekend te maken, een nodige, maar op zich onvoldoende stap. Een stof-per-stofbenadering is sowieso weinig geschikt, want het is onmogelijk om alle effecten te kennen van de vele duizenden verschillende stoffen en hun interacties.
Dan biedt biomonitoring meer perspectieven, aldus Van Larebeke. Daarbij worden de biologische effecten van vervuiling of concentraties van bepaalde contaminanten in bloed enz. van proefpersonen opgevolgd. Uit dergelijk onderzoek heeft men in Vlaanderen al kunnen afleiden dat de verontreiniging eerder homogeen verdeeld is, en dat er tussen stedelijk en landelijk gebied weinig of geen verschil is.

De kans, aldus Van Larebeke, dat de wetenschap een duidelijke relatie kan leggen tussen bepaalde milieufactoren of gedrag en een bepaalde gezondheidsimpact is niet al te groot. Het heeft tientallen jaren geduurd vooraleer het inzicht dat roken ongezond is effectief tot maatregelen heeft geleid. En zou asbest niet een dergelijk speciale tumor veroorzaken, dan was ook dit probleem waarschijnlijk nog jaren onbekend gebleven. Volgens Van Larebeke moeten er dus nog tal van andere ‘ijsbergen onder het oppervlak’ schuilen waarvan we het fijne niet afweten.

Esmeralda Borgo van de Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen is het daarmee eens. Ze wijst erop dat niet het milieu, maar de stoffen die de mens erin loost de ziekmakers zijn. Het hele milieu-en-gezondheidsgebeuren is overigens gehuld in onzekerheid. Vóór 1981, toen de eerste regels aangaande chemische stoffen in het milieu van kracht werden, werden vele duizenden onbekende chemische stoffen in het milieu gebracht. Tot vandaag weten we over die vele stoffen bijna niets. Bovendien speelt het cocktail-effect ons parten: de eigenschappen van de verschillende stoffen afzonderlijk zijn niet dezelfde als de eigenschappen van het complexe mengsel van die stoffen. Dezelfde stoffen veroorzaken ook niet bij iedereen hetzelfde effect. Zo zijn kinderen, bejaarden, zwangere vrouwen, … vaak gevoeliger voor bepaalde vormen van verontreiniging. De enorme leemte in kennis over scheikundige stoffen in het milieu, vormde de aanleiding voor REACH, stelt ze vast. REACH is daarbij in elk geval een stap vooruit. Maar wat en hoeveel moet men weten van bepaalde stoffen en hun blootstelling vooraleer men ze van de markt haalt, vraagt Borgo zich af. Is het wel mogelijk om al die kennis te verzamelen? Ze vreest van niet en daarom pleit ze voor het voorzorgsprincipe. Beter dan de problemen proberen op te lossen is ze te voorkomen. Stoffen waarvan men vermoedt dat ze schadelijk zijn, zou men dus beter niet gebruiken of vervangen door veiliger alternatieven.

Ben Vanheukelom haalt hier het voorbeeld van luchtverfrissers die benzeen bevatten aan. Horen dergelijke producten überhaupt wel op de markt te verschijnen?

Dirk Wildemeersch van de Vlaamse Gezondheidsinspectie heeft sowieso vragen bij de markt van luchtverfrissers. Deze producten zijn immers niet noodzakelijk. Geurproblemen in huis zijn in de meeste gevallen een gevolg van structurele of functionele fouten in de woning (schimmelvorming, slechte verluchting, slechte hygiënische omstandigheden,…). Dan helpen luchtverfrissers ook niet. Maar producten van de markt halen ligt heel moeilijk.

Guy Magnus van de Europese onderzoeksvereniging milieu en gezondheid volgt de gezondheidsimpact van milieufactoren al sinds de jaren 80 op de voet. Het ontbreekt in het milieu en gezondheidsbeleid al te vaak aan een duidelijke visie over onderzoek, instrumenten en maatschappelijk draagvlak, vindt hij. Heel belangrijk uitgangspunt daarbij zou duurzame ontwikkeling moeten zijn. Het beleid zal pas resultaat boeken als productie- en consumptiepatronen worden bijgestuurd. Het voorzorgsprincipe is volgens Magnus een heel belangrijk uitgangspunt voor beleid, dat overigens ook door de Wereldgezondheidsorganisatie sterk naar voren wordt geschoven.

Koen Miseur (MMK LOGO Hageland en LOGO Leuven) schetst kort de taken van de LOGO’s (Lokaal Gezondheidsoverleg). De LOGO’s zijn platforms waar huisartsen, apothekers, kinesisten, gemeenteambtenaren, ... de krachten bundelen en samen werken aan gezondheidsdoelstellingen, daarbij ondersteund door het Medisch-Milieukundig Expertisecentrum. Miseur begrijpt de vraag naar duidelijke informatie over milieu en gezondheid van de bevolking. Op dit moment situeert hij concreet de grootste bedreigingen voor de gezondheid in de kwaliteit van het binnenmilieu.

Van Larebeke stelt echter vast dat in vele gevallen een strikte scheiding tussen binnen- en buitenmilieu niet opgaat. De gemeten blootstelling in een organisme is meestal immers de som van beide blootstellingen. Bovendien blijken veel van de vervuilende stoffen van het binnenmilieu juist van buiten te komen. Het wordt een nog complexer verhaal wanneer de blootstelling via de voeding optreedt, bijvoorbeeld bij dioxineverontreiniging. Ook de blootstelling aan gebromeerde vlamvertragers die in textiel en tapijten worden toegepast gebeurt minder door te verblijven in kamers waar dergelijke stoffen aanwezig zijn, dan via de voeding…

Maar zo wordt de hele problematiek toch totaal ongrijpbaar?, vraagt Ben Van Heukelom zich af.

Van Larebeke beaamt dat het een griezelige vaststelling is dat één van de meest geïsoleerd levende dieren van de hele wereld, de ijsbeer, ook de meest gepollueerde van allemaal blijkt te zijn. Ook heel moeilijk te begrijpen is dat de curve van effect versus dosis soms anders verloopt bij lagere concentraties dan bij hogere… Men schat dat ongeveer 10% van alle chemische stoffen op een of andere manier kankerverwekkend of –bevorderend zijn. Maar toch kennen we slechts een fractie van alle chemische stoffen als duidelijke kankerverwekkers.

Er is echter geen reden tot paniek, stelt Van Larebeke gerust. Het komt erop aan bewust om te gaan met risico’s vanuit de wetenschap dat we een slechts een topje van de ijsberg kennen. Daarom pleit Van Larebeke voor het invoeren van een fysisch-chemische hygiëne, net zoals vroeger de microbiële hygiëne voor een enorme verbetering van de levenskwaliteit heeft gezorgd. Door eenvoudige ingrepen kan de blootstelling aan chemische stoffen immers gevoelig worden verminderd. Enkele voorbeelden: in een woning met geïntegreerde garage zou het de regel moeten zijn de garagepoort even open te laten. Dan kunnen de benzeendampen van de uitlaatgassen ontsnappen. Ook zou men bij het gebruik van solventen steeds passende bescherming moeten dragen, dus geen stofmaskertje, maar een masker met koolfilter. Groenten en fruit moeten altijd goed gespoeld of geschild worden enz.

Esmeralda Borgo stelt vast dat in het opstellen van regelgeving rond gevaarlijke stoffen soms onderscheid wordt gemaakt tussen de drie verschillende categorieën van het IARC. Daarbij wordt de ene categorie als gevaarlijker beschouwd dan de andere, maar Borgo stelt vast dat het vaak gaat om de beschikbaarheid van toxiciteitsgegevens. Kan zo een degelijk beleid worden uitgetekend?
Het Internationaal Agentschap voor het onderzoek naar kanker onderscheidt inderdaad drie categorieën stoffen: een eerste waarvan zeker is dat deze stoffen bij de mens kanker veroorzaken. Van de tweede heeft men een vermoeden dat dit zo is en over de derde categorie kan men zich op basis van de beschikbare informatie (nog) niet uitspreken. Maar Van Larebeke maakt zich weinig illusies over de kankerverwekkende eigenschappen van het merendeel van de stoffen in alle drie de categorieën. De IARC ging er aanvankelijk immers van uit dat kankerverwekkende eigenschappen zeldzaam zijn en het er dus slechts op aankomt om de gekende kankerverwekkers op een lijst te zetten. Naarmate deze lijst steeds langer wordt, wordt duidelijker dat de lijst nooit volledig zal zijn. Van Larebeke waarschuwt er dan ook voor om een stof als ‘ok’ te beschouwen als ze niet op de lijst voorkomt, dat wil vaak enkel zeggen dat er nog niet genoeg over geweten is...

Toch vindt Guy Magnus dat het IARC-systeem niet als instrument overboord mag worden gegooid. Het kan wel degelijk in een goed beleid worden ingeschakeld, aldus Magnus.

Vanuit de zaal merkte Erwin Annys van de Federatie voor de Chemische Nijverheid op dat de verschillende IARC-categorieën geen aanleiding geven tot verschillende wetgeving. Ook waarschuwde hij ervoor al te sterk in te zoomen op de kankerverwekkende eigenschappen van stoffen. Er worden ook producten beperkt in hun gebruik die toch niet kankerverwekkend zijn.

Gepeild naar de hefbomen om de situatie te verbeteren, noemde Nic Van Larebeke REACH een stap vooruit, maar niettemin onvoldoende. REACH zal immers enkel kennis bijbrengen over een beperkt aantal stoffen in een geïsoleerde omgeving. Interacties, atmosferische reacties, synergieën tussen stoffen, het elkaar versterken of verzwakken van stoffen in de complexe chemische cocktail… zullen in een dergelijk systeem nooit aan bod komen. En toch is dit niet te verwaarlozen, kijk maar naar dioxine, een van de meest notoire polluenten uit de recente geschiedenis. Dioxine is ook nooit op de markt gebracht als dusdanig, maar ontstaat als verbrandingsproduct... Het krachtigste instrument waarover we beschikken, aldus Van Larebeke, is biomonitoring.

Moeten wat dan terug naar een maatschappij zonder gevaarlijke stoffen, zonder chemie in het algemeen? provoceert Vanheukelom.

Dat onze samenleving door REACH of andere regelgeving zou worden teruggedrongen naar het stenen tijdperk ontkent Van Larebeke met klem. Het is juist door het ontwikkelen van onze technologische beschaving, eerder dan het afbouwen ervan, dat de oplossing in zicht komt. Primitieve stoffen dienen door innovatie en technologische vooruitgang vervangen te worden door betere alternatieven.

Esmeralda Borgo is het daarmee volledig eens. Regelgeving zoals REACH kan de innovatie een extra impuls geven, zoals dat in de jaren tachtig ook het geval was.

Volgens Guy Magnus zal om de relatie tussen milieu en gezondheid te verbeteren een pakket van maatregelen nodig zijn. Deze zullen brongericht moeten zijn, het beleid zal gebiedsgericht en effectgericht moeten werken. Hij ziet veel mogelijkheden in het vergunningenbeleid en wijst ook op belangrijke raakvlakken met het beleid rond de stedenbouw en ruimtelijke ordening. Duidelijke en meetbare gezondheidsindicatoren zouden beleidsontwikkeling en –uitvoering gevoelig kunnen vereenvoudigen. Een belangrijk knelpunt blijft voor Magnus de specifieke training van doelgroepen. Artsen worden in Vlaanderen nog ondermaats in de milieuthematiek opgeleid, terwijl ook de banden met gezondheidszorg voor de milieuprofessionele wereld nog te beperkt blijven.

Dirk WIldemeersch beaamt dat er een kloof gaapt tussen de medische wereld en die van de milieuhygiëne. Zo was er onder de 200 kandidaten voor de functies van medisch milieukundige geen enkele arts. Ook aan de universiteit blijven de meeste studenten ofwel voor milieu ofwel voor gezondheidskunde kiezen, terwijl er toch mogelijkheden genoeg zijn om de brug tussen de twee te slaan. Volgens Wildemeersch is het medische korps nog te weinig van de problematiek overtuigd. Hij pleit er daarom voor om milieuthema’s meer aandacht te geven in de algemene opleiding van artsen en gezondheidspersoneel.

Guy Magnus onderschrijft dit en illustreert met voorbeelden uit het buitenland. Vlaanderen en België scoren op dit punt beschamend laag.

Volgens Koen Miseur is meer nodig dan een aanpassing in de opleiding van medisch personeel en artsen. Hij merkt dat de taakverdeling tussen de verschillende beleidsniveau’s (federaal, gewestelijk, provinciaal, gemeentelijk) zeker niet altijd even vlot verloopt. Het resultaat is meestal dat de lokale beambten overbevraagd worden.

Volgens Erwin Annys van Fedichem is REACH hoe dan ook een goede zaak, al was het maar omdat deze regelgeving ongeveer 40 oudere EU-regels zal vervangen. FEDICHEM schaart zich ook volledig achter de principes in het witboek: streven naar een betere gezondheid, een betere milieubescherming, minder dierenproeven en dit binnen een economisch bestel waarbij wordt gestreefd naar een excellente concurrentiepositie van EU ten opzichte van de rest van de wereld.
Annys vreest echter dat de nu voorliggende regelgeving ervoor zal zorgen dat meer producten van de markt verdwijnen, niet omdat ze schadelijker zouden zijn voor mens en/of milieu, maar omdat de economische druk al te hoog wordt opgevoerd. Hij wijst er ook op dat de industrie ook op eigen initiatief onderzoek uitvoert naar de impact van potentieel gevaarlijke stoffen. Hij noemt in dit verband het Long Range Research Initiative dat onder meer de hormoonverstorende stoffen onderzoekt en het responsible care programma dat milieuzorg stimuleert. We moeten ervoor opletten, aldus Annys, pardoes een systeem te implementeren dat onze industrie de das zou omdoen of uithollen, of waardoor de EU haar problemen gaat exporteren. De EU moet toch niet heiliger dan de paus zijn. Het is goed een voorloper te zijn, maar neem je teveel afstand van de rest van de wereld, dan leidt dit tot onleefbare toestanden, waarschuwt Annys,

Dat de industrie achter de principes van het witboek staat vindt Esmeralda Borgo zeer positief. Tussen het witboek en de jongste versie van REACH is er namelijk al een grote afzwakking gebeurd. Dat REACH voor een uitholling van de industriële maatschappij zou kunnen zorgen betwijfelt ze. Integendeel, ze noteert de grote maatschappelijke vraag naar een duidelijker chemisch beleid. Zo is in november 2004 nog het manifest voor een beter chemisch beleid ondertekend door een groot aantal organisaties en ngo’s, waaronder alle vakbonden van ons land. Borgo is er gerust in dat het voortouw nemen inzake milieuzorg economisch geen windeieren hoeft te leggen. De Scandinavische landen tonen aan dat koploper zijn op milieugebied perfect kan sporen met uitstekende economische resultaten. Bovendien toont onderzoek aan dat de kostprijs van maatregelen binnen REACH nog heel goed zou meevallen…

Maar de ene industrie is de andere niet, vindt Guy Magnus. Er zijn altijd bedrijven die meer en andere minder gestimuleerd moeten worden om hun verantwoordelijkheid op te nemen. Magnus ziet veel mogelijkheden in het sluiten van goede partnerschappen. Hij wijst erop dat de conservatieve lobby van de industrie tijd, noch middelen spaart om in alle EU-commissies de beslissingen bij te sturen. Dat stelt toch een zeker onevenwicht.

Erwin Annys beaamt dat de industrie een afspiegeling is van de samenleving, met een even grote diversiteit en met kop- en staartlopers. Hij benadrukt ook dat niet in elke industriële tak de problemen op dezelfde manier kunnen worden opgelost. Sommige stoffen zijn nu eenmaal veel gemakkelijker te vervangen dan andere…

Koen Miseur licht toe dat het beleid twee sporen volgt om tot oplossingen te komen, met aan de ene kant de brongerichte maatregelen, aan de andere kant sensibilisering. Maar het gedrag van mensen veranderen is bijzonder moeilijk. Perceptie is hierin heel belangrijk. Sommige problemen worden als heel bedreigend ervaren, andere dan als ongevaarlijk terwijl het in de realiteit soms net omgekeerd is. Met informatie en sensibilisering bereikt men nog geen preventie, aldus Miseur. Dus acht hij het beter te focussen op de belangrijkste problemen.

Er is inderdaad steeds een stok achter de deur nodig via wetgeving, vergunningen e.d., vindt Dirk Wildemeersch. Maar dan moeten lokale ambtenaren ook de ruimte krijgen om bijvoorbeeld in de vergunningverlening een inbreng te hebben.

Guy Magnus vindt het belangrijk dat niet alleen beleid wordt gevoerd van de top naar de basis. Vaak is aan de basis een waardevolle dynamiek aanwezig die gestimuleerd moet worden. Gedragsveranderingen die van bovenaf worden opgelegd maken geen kans, maar gedragsveranderingen vanuit de basis worden gedragen is er wel meer kans op slagen, aldus Magnus.

In een antwoord op een vraag vanuit de zaal over hoever de VMM kan gaan in het opvolgen van de verschillende milieuparameters beaamt Nic Van Larebeke dat er zeer goed werk wordt geleverd, maar dat de middelen ontoereikend zijn. Vandaag worden enorme bedragen besteed aan gezondheidszorg en kosten voor het opruimen van milieuvervuiling. Willen we de beschavingsziekten met succes terugdringen, dan zal er meer van ons BBP moeten worden geïnvesteerd in onderzoek en in de uitvoering van REACH. Maar zeker zo belangrijk vindt Van Larebeke dat er aandacht uitgaat naar zowel de fysische als de chemische aspecten.

Meer info: Portable Document Format (PDF) Dossier: Milieu en gezondheid in ARGUSmilieumagazine (pdf, 1009 KB)

Terug
  • facebook link Zet op Facebook
  • twitter link Retweet
  • Digg link Digg deze pagina
  • print link Print deze pagina
  • addthis link More
  •  
 
 

Debatten & seminaries

  • Agenda
  • Archief
  •  

FACEBOOK
Word fan van ARGUS

 

WANDELZOEKTOCHTEN
Wandelen met argusogen

 
 
2000 - 2012 © Argusmilieu  -  Disclaimer  -  Sitemap  -  Contact  -  site by 2Mpact