23 september 2004 - ARGUSdebat: 'Wetenschap en milieu - Leven met onzekerheid'
Op 23 september 2004 organiseerde ARGUS vzw samen met het Instituut voor Milieukunde van de Universiteit Antwerpen het debat ‘Wetenschap en milieu – Leven met onzekerheid’.
Ter inleiding schetste Pieter Leroy (Leerstoelgroep Milieu en Beleid KU Nijmegen) de wijzigende rol van de wetenschap in relatie tot het milieubeleid. In de jaren zestig-zeventig plaatste de wetenschap de milieuproblematiek op de maatschappelijke agenda. Auteurs zoals Rachel Carson en Ezra Mishan leverden niet alleen een significante bijdrage aan hun eigen wetenschapsgebied, ze leverden ook kritiek op de wetenschapsbeoefening als geheel. Bovendien stelden ze de zogenaamd onafhankelijke positie van ‘de’ wetenschap en haar impact op onze samenleving aan de kaak. Ze uitten ook kritiek op de technocratische wijze van denken en handelen.
In de jaren zeventig-tachtig vond in de westerse landen een geleidelijke institutionalisering van milieuwetenschap en –beleid plaats. Tegelijk groeide de interactie tussen de twee. In die periode leverden de wetenschappen een aanzienlijke bijdrage aan de normering, programmering en vormgeving van het milieubeleid.
Einde de jaren tachtig en de jaren negentig worden gekenmerkt door onzekerheid. Er ontstaan twijfels over de aard van milieuproblemen en over hun wetenschappelijke kenbaarheid. De klassieke wetenschappelijke methoden schieten meer en meer tekort.
Volgens Leroy is het huidige debat omtrent de milieuwetenschappen tot drie essentiële vraagstukken te herleiden. In de eerste plaats botsen we op wat we kunnen weten en dat leidt tot een epistemologisch debat. Het feit dat de kennisproductie niet langer uitsluitend door de wetenschappelijke wereld gebeurt, maar ook burgers, adviesbureaus, ngo’s,… kennis ontwikkelen, leidt tot een demonopoliseringsdebat. Uit deze twee vraagstukken volgt automatisch een derde knelpunt: als de wetenschap met een acceptatieprobleem kampt, en kennis bovendien over meerdere maatschappelijke geledingen verspreid zit is een democratisering aan de orde.
Hieruit distilleerde Leroy vijf stellingen als aanhef voor discussie.
- er is te weinig interdisciplinariteit in de milieuwetenschappen;
- wetenschap moet milieubeleid sturen, maar milieubeleid moet op meer gebaseerd zijn dan wetenschap alleen;
- beleidsmakers zijn onvoldoende uitgerust om wetenschappelijk onderzoek te sturen;
- de wetenschap ontmoet niet alleen tijdelijke, maar ook structurele onzekerheden en onkenbaarheden. Hierover moet duidelijk worden gerapporteerd;
- er is nood aan democratisering van de wetenschap.
Op basis van deze stellingen werd gedebatteerd onder moderatie van VRT-journalist Mark Van de Looverbosch. Hierna volgen de belangrijkste statements uit het debat.
Jos Kint, ere-hoogleraar biochemie van de Universiteit Gent, vindt een externe (democratische) controle van de wetenschap essentieel en heilzaam, ook voor de wetenschappelijke centra zelf, want zo komen blinde vlekken automatisch aan het licht. Hij wijst er op dat onzekerheid van oudsher een belangrijk onderdeel is van de wetenschap. Zo zette Einstein met zijn relativiteitstheorie de newtoniaanse zekerheden totaal op zijn kop. Een ander voorbeeld van letterlijk oneindige complexiteit zijn de fractalen in de wiskunde.
Volgens Jeroen Cockx, projectleider milieubeleidsplan van AMINAL, is het niet evident om wetenschappelijk onderzoek te laten aansturen door beleidsmakers. Politici zijn vandaag moeilijk te overtuigen om nog meer middelen in milieuwetenschap te investeren, ook al is dat meer dan ooit nodig. We weten al veel, het komt er nu op aan om te handelen, wordt geredeneerd… Cockx stelt ook vast dat de fundamentele wetenschap steeds moeilijker wordt gefinancierd. Anderzijds blijven vraaggestuurd onderzoek, externe controlemechanismen en democratisering in de wetenschap moeilijk liggen. De wetenschappers moeten deze beginselen tenslotte zelf in praktijk omzetten en al te vaak gaan ze daarbij op de rem staan.
Dirk Fransaer, afgevaardigd bestuurder van Vito wijst op twee opties om de belangrijke uitdagingen van vandaag het hoofd te bieden: ofwel laat men de wetenschapper vrij om zelf de prioritaire onderwerpen te kiezen en uit te diepen, ofwel vraagt de politiek van hen specifiek onderzoek. Volgens de eerste piste vertrouwt men op de expertise en het vakinzicht van de wetenschappers zelf. De tweede optie is misschien meer gericht en sneller, maar wordt heel moeilijk geaccepteerd door de wetenschappers zelf. Volgens Fransaer is ‘peer reviewing’, waarbij een jury van wetenschappers hun fiat geven vóór de publicatie van nieuw onderzoek, het systeem van externe controle en democratisering bij uitstek, zij het dan dat het zich volledig binnen de wetenschappelijke wereld afspeelt. Maar dat is niet verkeerd, aldus Fransaer, tenslotte is ‘mondig zijn’ niet hetzelfde als ‘deskundig zijn’.
Marleen Van Steertegem, projectcoördinator van het Milieu en Natuurrapport Vlaanderen (MIRA), licht toe dat ook in het MIRA-rapport veel onzekerheid vervat zit. Vaak is het heel moeilijk om precies aan te geven waar de onzekerheid zit. Ze wijst op de nood aan wisselwerking tussen wat we willen weten en wat we kunnen weten.
Ronald Mortier, hoofd milieudienst Sidmar, ziet de voorbije decennia een parallelle evolutie tussen de industrie en de milieuwetenschappen. In een eerste fase waren bedrijven vooral gericht op maximale winst, productie en exploitatie. De industrie zat als het ware in een ivoren toren. In een tweede fase begon men te beseffen dat er bepaalde grenzen moeten worden gerespecteerd en dat men uit de ivoren toren moet treden om een duidelijke en open communicatie te voeren. De volgende fase is er een waarin milieubewustzijn volwaardig in de bedrijfsvoering is geïntegreerd. Mortier wijst op de sturende rol van milieubeleid en milieuwetgeving in dit proces. Hij waarschuwt echter voor rechtsonzekerheid op de langere termijn. Eerder dan dat de overheid een richting van het onderzoek oplegt, zou ze een kader moeten creëren waarbinnen de academici hun kennis en creativiteit maximaal kunnen ontplooien. Als voorbeeld haalt hij de discussie rond CO2-uitstoot en het Kyoto-protocol aan. In feite gaat het daar om een achterhoedegevecht, want iedereen is het erover eens dat de fossiele energiebronnen eindig zijn en dat we naar nieuwe, schone technologie op zoek moeten. Kernenergie is daarbij niet de ultieme oplossing want dan verschuift het probleem naar de schaarse uraniumreserves. En die zijn binnen enkele decennia ook uitgeput.
Mortier benadrukt ook het belang van de internationale context (bv. m.b.t. concurrentiepositie) en de nood aan voldoende middelen.
An Van der Auweraert (UA) doctoreert in de wetenschapscommunicatie, een vrij nieuw vakgebied. Volgens Van der Auweraert bestaan er verschillende soorten kennis. Er is de basiskennis die je op de schoolbanken leert, bv. rekenen, de wetten van de mechanica enz. Een tweede vorm van kennis is complexer. Hier bepaalt de moeilijkheidsgraad dat de communicatie wordt afgestemd op de beoogde doelgroep, waarbij ook wordt opgevolgd of de boodschap goed overkomt. Voorbeelden van dergelijke communicatie zijn populair-wetenschappelijke tv-programma’s zoals ‘Hoezo’, ‘Overleven’ en educatieve projecten zoals Technopolis. Een derde vorm van kennis is die waar grenzen van het weten worden bereikt: de experten moeten forfait geven en er komen andere betrokken partijen bij te pas die ook een deel van de kennis inbrengen. Dit vraagt een overlegstructuur waarin wordt geëvalueerd wat wel wat niet gekend is en hoe met de onzekerheden moet worden omgegaan. De laatste en moeilijkste kennisvorm is die waar onzekerheden meespelen en bovendien tegenstrijdigheden en verschillende conclusies kunnen worden afgeleid uit dezelfde gegevens. Hier spelen veel meer factoren mee: persoonlijke overtuiging, emotie, intuïtie enz. Zeker bij deze kennisvorm is een participatieve communicatievorm aangewezen, afgestemd op de vele verschillende doelgroepen, op de boodschap en op de doelstellingen. Kwaliteitscontrole is in deze communicatie essentieel.
Volgens Van der Auweraert zijn zowel vraag-, als aanbodgestuurd onderzoek noodzakelijk. Wetenschap zou het best worden gezien als een zintuig van de samenleving dat helpt om moeilijke beslissingen te nemen, maar dat zeker niet feilloos is. Daarbij is ruimte nodig voor nuance. Wetenschappers moeten een antwoord durven geven tussen ja en nee, zwart of wit. En hun antwoord moet ook geaccepteerd worden.
Gert Verreet, doelgroepenbeleid AMINAL, beaamt dat het betrekken van belanghebbenden steeds belangrijker wordt. Het aantal en de diversiteit van de doelgroepen wordt steeds groter. Meer interactie vereist echter ook een andere houding (o.a. communicatiebereidheid) en aangepaste communicatiemiddelen die zowel zender- als doelgroepgestuurd kunnen zijn. Kwaliteitscontrole is daarbij belangrijk, waarin de relevantietoets van belang is: wat is de waarde van bepaalde kennis. Wat is nuttig? Wat is relevant? Men moet zich in vraag durven stellen… .
Enkele elementen uit het vraaggesprek tussen panelleden en publiek:
Wat als de wetenschap er in netelige maatschappelijke vraagstukken zelf niet uitgeraakt?
De discussie over de ISVAG-verbrandingsoven, het hele klimaatdossier en andere voorbeelden tonen volgens Pieter Leroy duidelijk aan dat het niet meer louter een discussie over wetenschappelijke cijfers betreft, maar dat het gaat over een waardendebat. Hier zou de wetenschapper het moeten aandurven om geen uitspraak te doen, want dat het gaat over maatschappelijke keuzes. Als politici, wier taak het is om maatschappelijke knopen door te hakken, wetenschappers in de hoek drummen met de eis van een zwart-of-wit-antwoord, ontlopen ze gedeeltelijk hun verantwoordelijkheid.
Een van de grote onzekerheden van vandaag is: hoe realiseren we duurzame ontwikkeling?
Volgens Jeroen Cockx blijven we in de gevolgde strategie daarover teveel de vertrouwde paden bewandelen. We recupereren elementen uit de economische, sociale en milieusectoren, maar de integratie blijft nog altijd ver zoek. Dirk Fransaert wijst erop dat duurzame ontwikkeling als concept wel mooi is, maar dat er toch een paar belangrijke problemen rond onopgelost blijven. Misschien wel het belangrijkste is het langetermijnperspectief van duurzaamheid. Zo is de gestelde tijdshorizon bij het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ heel belangrijk. In het Brundtlandrapport werd die nogal arbitrair op 25 jaar vastgesteld, maar waarom geen 50 of 300 of zelfs 1000 jaar? De keuze van deze tijdshorizon is bepalend in het afwegen van maatregelen om schadelijke effecten van de menselijke activiteiten tegen te gaan.
Daarnaast vindt Fransaert dat in duurzame ontwikkeling nog te weinig economische principes worden toegepast. Terwijl die toch kunnen helpen om rationeler met de schaarse middelen om te gaan. De economie blijkt telkens weer de sturende kracht achter maatschappelijke ontwikkelingen te zijn. Daarom komt het erop aan om de economie van de korte naar de langere termijn te richten. Zo zouden milieu-inspanningen over langer dan een boekjaar moeten worden gepland en geëvalueerd. De overheid heeft hierbij een zeer grote rol in te spelen.
Jos Kint besluit met enkele paradoxen, kenmerken van de wetenschap die haar sterkte zijn, maar tegelijk haar zwakte als het om maatschappelijke aanvaarding aan komt: wetenschap is objectief, de wetenschapper wil niet betrokken zijn; wetenschap is analytisch: wetenschappers trachten complexiteit naar eenvoud te herleiden, maar hier is altijd een zekere foutenmarge verbonden; wetenschap is op zoek naar de waarheid, niet naar waarden; en, zo besluit Kint, de wetenschap aanvaardt geen geheimen als vast gegeven. Hij breekt daarbij tegelijk een lans voor meer religie, zowel in de maatschappij in het algemeen als in de wetenschappelijke wereld. Het zou veel helpen moest de mens zich meer als onderdeel van een groter geheel zien, waarin het leven ten doel staat van iets wat verder gaat dan hijzelf…


