25 november 2004 - ARGUSdebat: 'De Afvalberg bedwongen?'
Op 25 november 2004 organiseerde ARGUS vzw samen met de dienst Chemische Ingenieurstechnieken (CHIS) van de Vrije Universiteit Brussel in het auditorium van het KBC-hoofdkantoor te Leuven het debat ‘De Afvalberg bedwongen?’. Dit gebeurde met de steun van Indaver nv.
Fons Buekens (CHIS-VUB) gaf een korte inleiding op de discussie.
Afval is reeds jarenlang gegroeid, samen met de welstand, consumptie, en ook met een reeks veranderingen van levensstijl. Vandaag is nagenoeg alles voorzien, veilig en verpakt op maat van het individualistisch leven en denken, aldus Buekens. Anders gaan leven (Agalev) is een mogelijk antwoord voor de afvalberg, maar het haalt geenszins een absolute meerderheid bij het kiezerspubliek. Het gevolg is aldus al te vaak wat lippendienst en halfslachtig werk, met als exponenten:
- Afval is er niet meer, want wat op specificaties geleverd wordt, is niet echt afval meer, maar ook nog niet altijd 'grondstof';
- Het sluiten van kringlopen is soms mogelijk, maar lang niet altijd. Bovendien lopen deze kringlopen niet vanzelf, zodat te lange circuits onpraktisch en onbetaalbaar worden;
- Afval wordt steeds duurder. Dat is de wens van diegenen die met het opruimen ervan hun brood verdienen, maar ook van 'Groen', want wanneer het al te duur wordt, kan men het zich minder en minder permitteren.
Op basis daarvan stelt Buekens een aantal belangrijke vragen:
- Gebeurt er werkelijk te weinig om afval te vermijden? En wie moet dit dan doen?
- En is de afvalberg echt bedwongen? Of is die alleen herverdeeld?
- Zijn nog meer inspanningen nodig? En zo ja, wie moet wat dan doen? En wie betaalt?
- Zijn de grote investeringen in verwerkingstechnologie verantwoord? Of wordt geld over de balk gegooid?
- Wat zijn de grote uitdagingen voor het afvalbeleid? En zijn we afdoende gewapend om deze aan te gaan?
- Wat zijn de vooruitzichten in het afvallandschap? En brengen deze ons en ons nageslacht een betere toekomst?
Ben Van Heuckelom (VRT-radio 1) modereerde het panelgesprek dat hierop werd gevoerd.
Karina De Beule (OVAM) gaf aan dat wat het huishoudelijk afval betreft al een vrije lange weg werd afgelegd, ook al blijven inspanningen voor afvalpreventie noodzakelijk. Relatief gezien lijkt de afvalberg bedwongen, maar in absolute cijfers uitgedrukt blijft het afvalprobleem groot. Bedrijfsafval stelt daarbij een grote uitdaging.
Marc Van Den Bosch (VEV-VOKA) benadrukte dat de bedrijven in de mate van het mogelijke en onder impuls van de afvalregelgeving toch al grote inspanningen leveren. Hij pleit voor een wat soepeler hanteren van het principe van De Ladder van Lansinck. Dit principe bepaalt de prioriteiten in het omgaan met afval: prioriteit moet gaan naar preventie, dan volgt hergebruik, vervolgens recyclage, vervolgens milieuvriendelijke verwerking met energierecuperatie en pas in de laatste plaats eindverwerking zonder energierecuperatie of storten van afval.
Volgens Werner Annaert (FEBEM, Federatie van Bedrijven voor Milieubeheer) is de vooruitgang wat betreft huishoudelijk afval vooral een gevolg van de verplichtingen die werden opgelegd. De kleinere ondernemingen werd veel minder opgelegd, vandaar de achterstand. Annaert pleitte ervoor om de financiële verantwoordelijkheid meer naar deze KMO’s te verschuiven. Het komt erop aan te sensibiliseren, maar zeker ook een stok achter de deur te houden.
Steven Geirnaert (Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen) vindt dat er bij KMO’s toch nog een hele weg is af te leggen. De hoeveelheid te storten en verbranden bedrijfsafval blijft steeds maar toenemen, dus moet het beleid hier ingrijpen.
Jan Winters (Kabinet Minister Peeters) waarschuwde voor de complexiteit van het afvalprobleem van KMO’s. Er bestaat nog steeds geen alomvattend model dat oplossingen biedt voor al het KMO-afval. Het afval van een winkel in een stadscentrum stelt immers totaal andere problemen dan dat van een productiebedrijf op een industriepark. Oplossingen op maat vragen bovendien grote investerings- of onderhoudskosten, of zijn praktisch soms moeilijk te realiseren. Winters achtte het daarom aangewezen dat de efficiëntie steeds in acht wordt genomen. In sommige gevallen zal het efficiënter zijn om afval te verbranden met energierecuperatie, dan het te proberen recycleren. Ook al gaat dat dan in tegen de ladder van Lansinck. Wetenschappelijk onderzoek moet daarbij soelaas geven.
Steven Geirnaert antwoordde echter dat het beleid niet telkens opnieuw mag wachten op de resultaten van nieuw onderzoek vooraleer in actie te treden. De producent draagt een deel van de verantwoordelijkheid voor het afval en die mag niet worden afgeschoven.
Ook de consument heeft een belangrijke rol te spelen, aldus Jan Winters. Maar het is niet altijd eenvoudig om een verantwoordelijke aan te wijzen. Zo is het voor oude batterijen of autowrakken veel makkelijker afspraken te maken rond inzameling en verwerking, dan voor houten ramen met een levensduur van 30-40 jaar. Een aantal regels rond de terugname van afval gingen in het verleden te ver, vindt Winters. Wetenschappelijk onderzoek moet samenwerkingsovereenkomsten onderbouwen.
Die onderbouwing is er wel, stelde Karina De Beule. OVAM geeft steeds advies bij de overeenkomsten die tussen overheid en producent worden afgesloten. Preventie is en blijft daarbij een belangrijk uitgangspunt. Er is in de praktijk nog steeds veel te weinig aandacht voor het voorkomen van afval, aldus De Beule. Men is kennelijk nog onvoldoende overtuigd van de grote kostenbesparing die preventie kan opleveren.
Marc Van Den Bosch achtte een bezinning over de terugnameplicht voor diverse afvalstromen belangrijk. Als het gaat over de preventie van verpakkingsafval pleitte hij ervoor om steeds de eco-efficiëntie van de combinatie verpakking-transport te maken. Anders wordt het beeld scheefgetrokken.
Hij betreurde dat de overheid heeft beslist het project PRESTI-4, dat de voorbije jaren bedrijven stimuleerde om emissies en afval te voorkomen, niet langer te ondersteunen. Van Den Bosch vond dit een zeer verdienstelijk initiatief dat net wat effect begon te ressorteren op het terrein.
Jan Winters verduidelijkte dat PRESTI wel degelijk effect had, maar dat dergelijke projecten deel moeten uitmaken van een volledig pakket van maatregelen en initiatieven. Zo hebben ook heffingen een grote preventiestimulerende impact, ook al zijn deze de bedrijfsvloer minder populair. De bedrijven die aan PRESTI deelnamen waren eigenlijk al overtuigd voor de ‘groene zaak’. Het komt er op aan de nog niet overtuigde bedrijven over de streep te trekken.
Steven Geirnaert verwacht echter niet dat de heffingen zullen toenemen. De lange lijdensweg van de ecotaksen en ecoboni tonen volgens hem aan hoe moeilijk het is een fiscaal beleid te realiseren. Ook bij PRESTI plaatst de milieubeweging vraagtekens. Het aantal deelnemende bedrijven lag toch wel erg laag, stelde hij vast. Voor te veel bedrijven is preventie geen prioriteit.
Geirnaert betreurde ook dat de discussie rond preventie soms niet correct wordt gevoerd, zoals wanneer men de preventie van verpakkingsafval uitdrukt in gewicht in plaats van in gebruikte eenheden. Verpakkingsmaterialen worden steeds lichter en dus lijkt men vooruitgang te boeken. Maar daarin wordt stilaan een benedengrens bereikt. Daarom pleit de milieubeweging voor preventie en hergebruik, en dus een strict hanteren van de Ladder van Lansinck, anders zal het afval toch weer toenemen.
Jan Winters wees er echter op dat het maatschappelijke afvaldebat niet louter technisch is of alleen maar draait om eco-efficiëntie. Zo is water van de kraan perfect drinkbaar, maar toch wil de consument flessenwater. Kleine porties yoghurt zorgen voor meer afval dan 1 groter potje, maar toch blijft de consument die kleine potjes kopen enz. In de levenscyclus van producten mogen dus niet alleen de theoretische en technische aspecten worden bestudeerd, maar moeten ook dergelijke psychologische aspecten worden beschouwd. Dan zal blijken dat in sommige gevallen de theoretisch beste oplossing niet altijd realiseerbaar is...
Hij beaamde dat, aangezien de efficiëntie van processen niet eindeloos kan worden opgedreven, meer fundamentele ingrepen nodig worden.
Karina De Beule onderstreepte dat in het streven naar preventie veel meer nodig is dan technische oplossingen, en dat ook gediscussieerd moet worden over aspecten als levenskwaliteit, comfort enz. Verder verduidelijkte ze dat PRESTI niet het enige preventie-stimulerende project was, maar dat nog andere projecten zoals Ecoscan en Mambo wel verder zullen worden ondersteund. Volgens haar is nog meer afvalwetgeving niet wenselijk. De afvalregelgeving is nu al zeer complex.
Werner Annaert stelt vast dat in het afvalbeleid veel aandacht uitgaat naar de producerende bedrijven, maar dat de afvalverwerkende bedrijven te vaak in de kou blijven staan. Nochtans spelen die een heel belangrijke rol. Hij noteerde dat de initiële scepsis bij aanvaardingsplichten voor diverse afvalstromen snel omslaat in enthousiasme, eens de inzameling en verwerking routine wordt.
Annaert waarschuwde dat het beleid de markt zo min mogelijk zou mogen verstoren. De recyclagebedrijven organiseren zich om bepaalde afvalstromen optimaal te verwerken. Als door beleidsmaatregelen de markt voor grondstoffen of eindproducten plots wijzigt, heeft dit dan ook grote gevolgen.
Ook de afzet van recyclageproducten mag niet worden vergeten. Het kan niet, aldus Annaert, dat het beleid recyclageproducten discrimineert ten voordele van nieuwe grondstoffen.
Ondanks een aantal preventieprojecten van de overheid blijft de hoeveelheid bedrijfsafval niettemin toenemen, stelt Steven Geirnaert vast. Voor de milieubeweging blijft de ladder van Lansinck dan ook vooropstaan. Hij citeerde daarbij een studie van VITO die concludeert dat hergebruik altijd beter is dan, of gelijkwaardig is met recyclage.
Volgens Jan Winters toont deze studie eerder aan dat het verschil tussen recyclage en hergebruik niet zo groot is. Daarom bleef hij erbij dat best geval per geval wordt onderzocht en dat het principe van de Ladder van Lansink niet al te dogmatisch wordt gehanteerd. Het is uiteindelijk de bedoeling de efficiëntie te verhogen. Het beleid heeft daar weliswaar een grote sturende rol in te spelen: wordt het storten van afval duurder, dan houdt het afvalstorten automatisch op…
Winters toont ook begrip voor de bekommernissen van de milieubedrijven. Hij bevestigde dat de huidige regels die het gebruik van gerecycleerde materialen bemoeilijken moeten worden aangepast. Er is een inhaalbeweging nodig om het gebruik deze eindproducten te stimuleren. Dat minister Peeters naast milieu, ook de bevoegdheid openbare werken in de portefeuille heeft is daarbij een voordeel, aldus Winters.
Volgens Marc Van den Bosch is de respons van bedrijven op de preventieprojecten toch niet te onderschatten. Maar de implementatie van preventie op de bedrijfsvloer blijft sowieso een complexe zaak die goed voorbereid en begeleid moet worden. De inspanningen die vandaag al voor preventie worden geleverd moeten niet worden onderschat, beweerde Van Den Bosch. Het kleine bezoekersaantal op de milieuvakbeurs IFEST, waar in hoofdzaak end-of-pipe-technologie werd aangeboden, bewijst dat de vraag meer en meer verschuift naar proces-geïntegreerde technologie.
Werner Annaerts was het daarmee eens. De grotere bedrijven hebben ondertussen de rekening wel gemaakt. Voor de kleinere die nog over de streep moeten worden getrokken hebben preventiestimulerende projecten op maat van de bedrijven de meeste kans op slagen. Het is dus belangrijk dat het beleid in dergelijke projecten blijft investeren. Een ander aandachtspunt is dat terwijl grote bedrijven hun eigen technologie ontwikkelen, de kleinere technologische oplossingen op maat moeten kopen. De leveranciers van deze technologie zijn dan ook een belangrijke doelgroep voor het beleid.
Ben Van Heuckelom vroeg zich af in hoeverre producenten aan de afvalfase van hun producten denken.
Volgens Marc Van den Bosch richten bedrijven zich in de eerste plaats op marktgegevens. De vraag bepaalt het aanbod.
Werner Annaert ziet niet al te veel heil in vrijblijvende initiatieven om preventie te stimuleren. Als marktonderzoek uitwijst dat een bepaald product verkocht zal worden, ook al gaat het om een onrecycleerbare verpakkingen, dan brengen grote bedrijven het eenvoudigweg op de markt. Alleen productnormen kunnen daarom echt soelaas bieden.
Karina De Beule bevestigde de nood aan een geïntegreerd beleid. Kennelijk stoot men telkens weer op een muur zodra op federaal niveau afspraken nodig zijn over productnormen, afvalpreventie, enz.
Jan Winters voegde hieraan toe dat het afvalbeleid niet alleen in een Federale context, maar ook op Europees en mondiaal niveau moet worden afgestemd. Lokale verschillen zorgen immers voor marktverstoringen. Hij onderstreepte de nood aan productnormen in het afvalbeleid, al was het maar om ervoor te zorgen dat producten ook effectief recycleerbaar zijn...
Discussie met het publiek
Ook zwerfvuil moet als item in de levenscyclusanalyse worden meegenomen. De gemeenten draaien nagenoeg altijd op voor dit probleem. Zou men ervoor opteren het afvalsorteren achterwege te laten, wat dan met de investeringen in verwerkingsinfrastructuur? Moet dit dan niet helemaal worden herzien?
Jan Winters beaamde dat kleine verpakkingen en blikjes een belangrijk aandeel vormen in het zwerfvuil. Bovendien heeft de dure afvalzak voor meer sluikstorten gezorgd. Nu is het zeker niet de bedoeling om alle afvalscheiding en recyclage volledig overboord te gooien, wel om rationeler en efficiënter te werken. In het verleden lag de focus heel sterk op afvalscheiding, containerparken en selectieve ophaling. Door deze keuze hebben we een aantal afvaltechnieken niet gevolgd, bv. het scheiden van afval na de ophaling.
De Vlamingen zijn goed in afvalsorteren, bevestigde Werner Annaert. Maar ook met het restafval gebeurt veel. Zo zijn daartoe recent een aantal proefprojecten opgezet die zeker een verdere ondersteuning van de overheid verdienen. Consequentie en voorspelbaarheid van het beleid zijn essentieel, vond Annaert. Al te vaak trekt het beleid zich op het laatste nippertje terug, met als gevolg dat de milieutechnologiebedrijven de dupe worden…
Voor Steven Geirnaert komt het erop aan de politieke keuzes, vastgelegd in uitvoeringsplannen voor de komende jaren, waar te maken. In de praktijk komen de geplande nieuwe verwerkingseenheden echter niet van de grond. Integendeel, er gaan geruchten op van nieuwe verbrandingsovens, terwijl recent onderzoek van VITO juist zwart op wit bewijst dat deze juist een verkeerde keuze zouden betekenen wat volksgezondheid en het leefmilieu betreft.
Jan Winters bestrijdt de cijfers uit de VITO-studie niet, maar wees erop dat ook het kostenaspect in de gaten moet worden gehouden. Bij een ongelimiteerd budget is het evident dat voor elk probleem de beste (maar meestal duurste) oplossing wordt gekozen. Maar in de begroting is er bitter weinig ruimte. Bovendien is een maximaal doorgedreven preventie van afval uiteraard te verkiezen, maar het is zeer de vraag of de burger-consument daarvoor ook aan comfort en gemak wil inboeten… De eindbeslissing daarover valt in het kieshokje…
Werner Annaert beklemtoonde de nood aan voorspelbaarheid van het beleid. De uitvoeringsplannen zijn daarvoor een zeer geschikt instrument, maar dan moeten ze ook werkelijk worden uitgevoerd. De private sector stelt zich immers op deze plannen in. Annaert wijst er verder op dat de huidige verbrandingstechnologie wel degelijk tot de best beschikbare technologie moet worden gerekend.
Een nieuwe milieuminister legt andere accenten en neemt andere beleidsbeslissingen. Hoe groot is het risico dat tijdens de volgende legislatuur alweer een nieuwe koers wordt gekozen?
Werner Annaert, kabinetsmedewerker van voormalig milieuminister Vera Dua, stelt toch niet zo’n grote verschillen in standpunten vast in het huidige beleid. Heel grote veranderingen in het beleid zijn dan ook niet te verwachten. Niet te vergeten: OVAM geeft in belangrijke mate mee gestalte aan het afvalbeleid. OVAM staat daarbij garant voor een zekere continuïteit.
Jan Winters bevestigde dat continuïteit van het beleid, noodzakelijk voor o.a. rechtszekerheid en investeringsklimaat, sowieso voorop staat. Uiteraard zullen er een aantal accenten verschuiven. Zo zullen morgen zeker niet alle verbrandingsovens worden gesloten. Ook zal een en ander worden bijgestuurd, bv. wat betreft het al te dogmatisch omgaan met het principe van de ladder van lansink.
Of dat meer economie, minder ecologie betekent?
Winters: Dat hoeft niet te betekenen dat economie de bovenhand op de economie zou krijgen. Streefdoel is een evenwicht tussen de drie hoofdelementen van duurzame ontwikkeling: economie, ecologie en sociale ontwikkeling. In het verleden helde de balans volgens Winters al te veel door naar de ecologie, dus moet nu economie weer wat meer aandacht krijgen om het evenwicht te herstellen.
Zie ook:
Dossier Afval in ARGUSmilieumagazine (pdf, 1.63 MB)


