26 mei 2003 - ARGUSdebat: 'Participatie als uitdaging voor het milieubeleid'
KBC-toren, Antwerpen
Op maandag 26 mei 2003 vond in een goedgevuld auditorium van de KBC-toren te Antwerpen het tweede ARGUSdebat plaats. ARGUS vzw, het milieupunt van KBC, organiseert deze debattenreeks aansluitend bij dossiers die ze in haar tijdschrift ARGUS Milieumagazine publiceert.
Het centrale thema van de avond was ‘participatie als uitdaging voor het milieubeleid’. Rudi Verheyen, de voorzitter van ARGUS vzw, leidde de avond in.
Mark Van de Looverbosch, journalist bij de nieuwsdienst van VRT Radio 1, was een voortreffelijk moderator van het debat.
Rik De Baere lichtte namens de nieuwe milieuminister Ludo Sannen de standpunten van het huidige beleid toe. In het milieubeleid treedt de overheid meer en meer terug, en komt de nadruk eerder op doel- dan op middelenvoorschriften. Veel aandacht gaat hierbij uit naar goed gestructureerd overleg en advies, onder meer via speciale organen, zoals de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen (SERV) en de Milieu en Natuurraad Vlaanderen (MiNa-Raad). Maar daarnaast worden ook andere instrumenten ingezet om de participatie van de verschillende doelgroepen te bevorderen. Zo wordt naast de uitvoering van bestaande (internationale) wetgeving rond participatie en openbaarheid van bestuur ook nieuwe wetgeving voorbereid die de efficiëntie en doelmatigheid van het beleid moet verbeteren. De Baere onderstreepte ook het belang van instrumenten als milieubeleidsovereenkomsten, samenwerkingsovereenkomsten en subsidiemechanismen om het milieubeleid gestalte te geven. Een centraal element bij dit alles is de communicatie. Die kan en moet nog veel beter. Via proefprojecten worden hieromtrent de mogelijkheden onderzocht.
Koen Van De Weyer van de Boerenbond vindt dat er in de communicatie veel schort. Het toepassen van verkoopstechnieken en een betere marketing van het beleid betekenen nog geen participatie van de doelgroepen. Het is belangrijk dat de betrokken partijen vroeg in het beslissingsproces hun inbreng kunnen doen. De afbakening van natuurgebieden in het kader van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) noemde Van De Weyer in dit opzicht een voorbeeld van hoe het niet moet. Telkens weer wordt via achterpoortjes en nieuwe regelgeving landbouwgrond ingepalmd. De inspraak is er niet, of te laat, aldus Van De Weyer.
Maar volgens Bart Martens van de Bond Beter Leefmilieu is er wel voldoende inspraakmogelijkheid. Maar aan het einde van de rit moet de Vlaamse regering een knoop doorhakken. En dat gebeurt niet, zoals bv. met het nieuwe milieubeleidsplan.
Namens het Vlaams Economisch Verbond ziet Marc Van den Bosch in het huidige beleid wel een aantal positieve aanzetten m.b.t. inspraak en participatie. Toch wordt er volgens hem meer over gepraat dan dat er in de praktijk van terecht komt. De impact van adviezen, openbaar onderzoek, inspraakrondes,… is volgens hem eerder beperkt. In overleg wordt ook te weinig naar een consensus gezocht.
In samenspraak met doelgroepen worden verschillende scenario’s uitgewerkt, maar het is aan de politiek om uiteindelijk de knoop door te hakken, onderstreepte Rik De Baere. Bart Martens is het daarmee eens en waarschuwde voor een corporatistisch model waar doelgroepen doe-groepen worden en tegelijk beleid afzakt tot een beleid van de grootste gemene deler. Hij pleit voor een duidelijk omlijnd kader waarbinnen de verschillende actoren kunnen opereren en waar marktconforme instrumenten worden ingezet.
Gemeenten zijn in het milieubeleid een belangrijke partner van de centrale overheid, zeker wat de organisatie van inspraak betreft. Maar Alex Verhoeven van de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten (VVSG) heeft bedenkingen bij die partnerrol. Hij hekelt de grote hoeveelheid opdrachten die de gemeenten de voorbije jaren werden toebedeeld: opleiding geven over plannen van hogere overheden, het opzetten van openbaar onderzoek over telkens weer nieuwe (technische) plannen waar eigenlijk maar weinig mensen van wakker liggen,…
Enige dosering dringt zich volgens hem duidelijk op. Als men gemeenten en burgers overstelpt met inspraak brengt dit het omgekeerde effect teweeg en leidt dit a.h.w. tot een chronisch vermoeidheidssyndroom. Bovendien moet ook de boodschap heel duidelijk zijn. Wil men ideeën losweken? Wil de overheid informatie van de burger? Wil men sensibiliseren of wil men inspraak realiseren?
Niettemin kunnen lokale overheden zeker een waardevolle rol spelen in het betrekken van de burger bij het milieubeleid.
Volgens Rik De Baere is met o.a. het milieubeleidsplan toch een nieuwe richting ingeslagen. Hier werd geprobeerd om moeilijke technische inhoud te populariseren en zo goed mogelijk te communiceren om een voldoende draagvlak te creëren voor het milieubeleid, met wisselend succes.
Maar misschien is het plan dat aan de burger ter inspraak wordt voorgeschoteld nog te veel een administratief programmatie-instrument, en dus weinig interessant. Een aantal aanpassingen kunnen het proces verbeteren. Zo zou het openbaar onderzoek beter enkel over de hoofdlijnen van het beleid en hoe die moeten worden verwezenlijkt worden gevoerd, bv. door het voorzien van een startnota die aan de bevolking wordt voorgelegd. De technisch technisch-administratieve uitwerking daarvan kan nadien. Ook afstemming tussen de planningscyclus met de beleidscyclus zelf (het einde van een planperiode valt niet samen met het einde van een regeerperiode) dringt zich op.
Volgens Rik De Baere is met o.a. het milieubeleidsplan toch een nieuwe richting ingeslagen. Hier werd geprobeerd om moeilijke technische inhoud te populariseren en zo goed mogelijk te communiceren om een voldoende draagvlak te creëren voor het milieubeleid, met wisselend succes.
Maar misschien is het plan dat aan de burger ter inspraak wordt voorgeschoteld nog te veel een administratief programmatie-instrument, en dus weinig interessant. Een aantal aanpassingen kunnen het proces verbeteren. Zo zou het openbaar onderzoek beter enkel over de hoofdlijnen van het beleid en hoe die moeten worden verwezenlijkt worden gevoerd, bv. door het voorzien van een startnota die aan de bevolking wordt voorgelegd. De technisch technisch-administratieve uitwerking daarvan kan nadien. Ook afstemming tussen de planningscyclus met de beleidscyclus zelf (het einde van een planperiode valt niet samen met het einde van een regeerperiode) dringt zich op.
Volgens Bart Martens is het echter vooral de uitblijvende beslissing door de Vlaamse regering die de burger bij dit beleidsplanningsproces doet afhaken. Hij pleit voor een dynamisering van het beleidsplanningsproces en voor het vastleggen van de krachtlijnen van het plan door de Vlaamse regering.
Vragen van het publiek
Is de vraag “wat kan de centrale overheid nog regelen? En wat niet meer” niet pertinenter dan “hoe verbeteren we de inspraak in het milieubeleid?”
Bart Martens: ons model waarin de overheid de touwtjes in handen heeft, normen oplegt in een milieuvergunning en toeziet op de naleving ervan is inderdaad niet meer toereikend. Er moeten stimulansen worden gegeven om niet alleen net onder de opgelegde grenzen te blijven, maar het ook steeds beter te doen. Daarom is het belangrijk om meer gewicht te geven aan instrumenten in de sfeer van de eco-fiscaliteit, ecoboni, heffingen, aansprakelijkheidsreglementering,… die niet alleen productieprocessen drastisch ombuigen, maar ook ons consumptiepatroon.
Volgens Rik De Baere ligt een deel van de oplossing in een betere communicatie met en betrekken van de verschillende doelgroepen, waaronder de individuele burger-consument. Deze draagt een belangrijke verantwoordelijkheid maar door wie vertegenwoordigt de burger? Daarom zal ook ons overlegmodel moeten aangepast worden waarbij onder meer nieuwe communicatie- en consultatiemiddelen worden ingezet, en waarbij een beroep wordt gedaan op intermediaire organisaties om milieuonvriendelijk gedrag in positieve zin bij te sturen.
De recente betoging van landbouwers, jagers en vissers was duidelijk de ventilatie van een malaise bij de gebruikers van het buitengebied. Toont dit niet de nood aan van BBT’s voor participatie?
Bart Martens: Er is hier meer in het spel. Het milieubeleid lijkt inderdaad de druppel geweest te zijn die de emmer deed overlopen. De landbouw is een sector in crisis en er dringt zich een reconversie op. Dat zal net als bij de steenkoolmijnen het geval was handenvol geld kosten.
Hier is Koen Van De Weyer het niet mee eens. De landbouwsector is nog steeds gezond. De wrevel heeft een heel andere oorzaak. De sector wil zich wel inschrijven in gestelde milieudoelen, maar de aanpassingen moeten op een haalbare wijze worden doorgevoerd. Op voorstellen terzake vanuit de sector werd door de milieuminister nooit gereageerd. Maar dat is volgens Rik De Baere desinformatie. Er werd uitvoerig over gediscussieerd. En trouwens, de gecontesteerde maatregelen werden allemaal getroffen door de vorige legislatuur.
Een BBT rond inspraak zou in ieder geval inhouden dat correcte, begrijpelijke informatie op maat voor de doelgroep zou worden gebracht.
Iedereen is ervan overtuigd dat milieu een zaak is van het algemeen belang, maar de verschillende actoren kleden dit allemaal anders in?
Bart Martens beaamt dat het algemeen belang niet hetzelfde is als het belang van iedereen. Ten behoeve van het algemeen belang zullen sommige actoren meer inspanningen moeten leveren dan andere.
Maar wat is het algemeen belang? Is biodiversiteit belangrijker dan economische welvaart?
Koen Van De Weyer: economie en ecologie mogen elkaar niet uitsluiten, het is wel enorm belangrijk dat alle gevolgen van bepaalde beslissingen in de discussie worden meegenomen, ook de economische.
Volgens Bart Martens mag er geen sprake zijn van ‘of-of’. In de eerste plaats moet de milieugebruiksruimte worden gedefinieerd waarbinnen economie en sociaal welzijn kunnen worden ingepast. Heel belangrijk is daarbij dat economisch, sociaal en natuurkapitaal niet onderling uitwisselbaar zijn.


